Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4428

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/172HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4428
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 1
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 33
NJ 2000, 191
RvdW 2000, 25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 januari 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/172HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr G.E.M. Later.

1. Het geding in feitelijke instantie

De Officier van Justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch heeft op 23 juli 1999 onder overlegging van een op 22 juli 1999 ondertekende geneeskundige verklaring een vordering ingediend bij de Rechtbank aldaar tot het verlenen van een voorlopige machtiging om het verblijf van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: verzoekster - in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren.

Nadat de Rechtbank verzoekster, bijgestaan door haar advocaat, de behandelend arts en de drie kinderen van verzoekster op 9 augustus 1999 had gehoord, heeft zij bij beschikking van 9 augustus 1999 de voorlopige machtiging verleend.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft verzoekster beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De onder 1 vermelde vordering is ingediend in een periode waarin verzoekster krachtens een machtiging tot voortzet-ting van de inbewaringstelling was opgenomen in het Carolus Liduina Ziekenhuis, afdeling psychiatrie, te 's-Hertogen-bosch.

Op de bij de vordering overgelegde geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 16 lid 1 Bopz is onder de gegevens van de geneesheer-directeur die de verklaring afgeeft de naam A. Beeftink vermeld. De verklaring is niet door de geneesheer-directeur ondertekend, maar "voor deze" door een persoon, aangeduid als "psychiater".

3.2 Voor zover het middel betoogt dat uit de stukken niet blijkt dat Beeftink geneesheer-directeur is van het zieken-huis waar verzoekster verblijft, kan op dat betoog geen acht worden geslagen, nu dit voor de Rechtbank niet is aangevoerd en een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is.

3.3 De Rechtbank heeft in haar beschikking vermeld dat de raadsman van verzoekster als formeel bezwaar heeft aange-voerd: "ondertekening van de geneeskundige verklaring door een niet tot tekening bevoegde". De Rechtbank heeft dit bezwaar gepasseerd op de grond dat "bij verdere navraag klaarblijke-lijk de ondertekenaar is gemandateerd door de tot tekening bevoegde".

Het middel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is. Het strekt ten betoge dat de aan de Rechtbank overgelegde geneeskundige verklaring niet kan worden aangemerkt als een verklaring van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin verzoek-ster is opgenomen, en derhalve niet voldoet aan het voor-schrift van art. 16 lid 1 Bopz.

3.4 Gelet op de van de zijde van de regering vermelde redenen voor het voorschrijven van een verklaring van de geneesheer-directeur, moet aan de verklaring bedoeld in art. 16 lid 1 Bopz de eis worden gesteld dat deze door de geneesheer-directeur zelf wordt ondertekend ten blijke van zijn instemming met en verantwoordelijkheid voor de inhoud van de verklaring (HR 1 juli 1994, NJ 1994, 715-723). In dit verband moet volgens art. 1 lid 3 onder "geneesheer-directeur" mede worden verstaan de arts die, hoewel geen directeursfunctie bekledende, belast is met de zorg voor de algemene gang van zaken op geneeskundig gebied in het psychiatrisch ziekenhuis. Als geneesheer-directeur moet ook worden aangemerkt de arts die volgens een binnen het zie-kenhuis geldende regeling tot vervanging van de geneesheer-directeur als waarnemend geneesheer-directeur de functie van de geneesheer-directeur uitoefent (HR 31 mei 1996, nr. 8822, NJ 1997, 36).

De aard van de in de Wet Bopz aan de geneesheer-direc-teur toegekende bevoegdheid tot en verantwoordelijkheid voor het verstrekken van geneeskun-dige verklaringen verzet zich evenwel tegen het door de geneesheer-directeur verle-nen van mandaat aan anderen tot het in zijn naam onderteke-nen van zodanige geneeskundige verklaringen.

De desbetreffende klacht van het middel is gegrond. De Rechtbank heeft ten onrechte voldoende geacht dat "de ondertekenaar is gemandateerd door de tot tekening bevoeg-de".

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 9 augustus 1999;

verwijst de zaak naar die Rechtbank ter verdere behan-deling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Fleers, De Savornin Lohman en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 21 januari 2000.