Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4327

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34883
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/146 met annotatie van P.H.J. Essers
V-N 2000/7.9 met annotatie van Redactie
NTFR 2000/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 34883

19 januari 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 2 oktober 1998 betreffende na te melden beschikking inzake inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Bij beschikking van 7 april 1997 heeft de Inspecteur terugwenteling van het door belanghebbende aangegeven verlies van het jaar 1994 naar het jaar 1991 afgewezen. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassa-tie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft op 1 maart 1994 een boerderij gekocht, waarin aanwezig zijn een woonhuis, een café-restaurant en twee appartementen, een en ander tezamen met een jachthaven, water, erf en tuin.

3.1.2. In de boerderij wordt door belanghebbende tezamen met zijn echtgenote een onderneming gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma, waarbij belanghebbende voor zestig procent in de winst is gerechtigd en zijn echtgenote voor veertig procent. De activiteiten van de onderneming bestaan uit het exploiteren van een café-restaurantbedrijf, het verhuren van ligplaatsen ten behoeve van de watersport en het verhuren van de twee appartementen.

3.1.3. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 heeft belanghebbende de boerderij in haar geheel tot het privé-vermogen gerekend en een belastbaar inkomen aangegeven van ƒ 12.722,-- negatief. Bij het vaststellen van de aanslag over het jaar 1994 heeft de Inspecteur het woongedeelte als privé-vermogen aanvaard, maar de boerderij voor het overige tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende gerekend en mede in verband daarmee het belastbare inkomen vastgesteld op ƒ 3.628,-- positief.

3.1.4. Gelet op het belastbare inkomen van

ƒ 3.628,-- heeft de Inspecteur bij de bestreden beschik-king terugwenteling van enig bedrag als verlies naar het jaar 1991 geweigerd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het partijen zal volgen in hun standpunt - nu zij daarbij niet zijn uitgegaan van een juridisch onjuist standpunt - dat het woongedeelte van de boerderij als keuzevermogen is te beschouwen en tot belanghebbendes privé-vermogen kan worden gerekend. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat, gelet op de indeling en inrichting van de boerderij, het café-restaurant-gedeelte van de boerderij dient te worden gerekend tot het verplichte ondernemingsvermogen van belanghebbende. Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat ook de appartementen, gelet op de door het Hof vermelde omstandigheden en de situering van de appartementen in de boerderij, tot belanghebbendes verplichte ondernemings-vermogen dienen te worden gerekend.

3.3. De klacht dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling van belanghebbende dat hij de boerderij heeft gekocht met de bedoeling deze vijf à zes jaren te exploiteren en deze dan als beleggingspand te verhuren, wordt vergeefs voorgesteld. In deze stelling ligt immers besloten dat belanghebbende bij de aankoop van de boerderij de primaire bedoeling had deze zelf te exploiteren.

3.4. Het Hof heeft zijn hiervóór in 3.2 als laatste vermelde oordeel mede doen steunen op de vaststelling dat de appartementen behalve buitenom ook binnendoor, via het café-restaurant, bereikbaar zijn. De tegen deze vaststelling gerichte klacht wordt in zoverre terecht voorgesteld, dat in het licht van de tot de gedingstukken behorende tekening van de boerderij - waaruit niet blijkt dat de appartementen ook via het café-restaurant bereikbaar zijn - deze vaststelling nadere motivering behoefde. Tot cassatie kan zulks evenwel niet leiden, aangezien de appartementen zoals in de hiervóór in 3.1.2 vermelde feiten en omstandigheden ligt besloten, bedrijfsmatig werden geëxploiteerd, zodat zij moeten worden gerekend tot belanghebbendes ondernemingsvermogen.

3.5. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroorde-ling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 19 januari 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.