Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4278

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-01-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/237HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 177
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 26
NJ 2000, 236
PW 2000, 21203
RvdW 2000, 22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 januari 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/237HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr C.J.J.C. van Nispen,

t e g e n

de stichting [verweerster] STICHTING (STICHTING NEDERLANDS INSTITUUT VOOR HET ARABISCH CULTUURGEBIED),

gevestigd te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 12 juni 1990 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en - na vermeerdering van eis - gevorderd [verweerster] te veroordelen om:

1. aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 2.990.000,-- ten titel van schadevergoeding wegens verduistering van acht kunstwerken gesigneerd door Piet Mondriaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het uitbrengen van deze dagvaarding;

2. aan [eiser] af te geven binnen 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de twee in de dagvaarding omschreven kunstwerken gesigneerd resp. door Willem Maris en Braakensiek, op straffe van een dwangsom van ƒ 10.000,-- per dag of dagdeel, indien [verweerster] met de naleving van dit bevel in gebreke blijft;

3. aan [eiser] te betalen de bedragen (a) ƒ 3.000,--, te vermeerderen met 8% rente vanaf 1 januari 1985 en 7½% vanaf 6 september 1988, (b) ƒ 6.000,--, te vermeerderen met 8% rente vanaf 1 januari 1986 en 7½% vanaf 6 september 1988, (c) ƒ 6.000,--, te vermeerderen met 8% rente vanaf 1 januari 1987 en 7½% vanaf 6 september 1988, (d) ƒ 6.000,--, te vermeerderen met 8% rente vanaf 1 januari 1988 en 7½% vanaf 6 september 1988, (e) ƒ 6.000,--, te vermeerderen met 7½% rente vanaf 1 januari 1989;

4. aan [eiser] te betalen een bedrag van (a) ƒ 15.000,--, te vermeerderen met 8% rente vanaf 15 mei 1985 en 7½% rente vanaf 6 september 1988, (b) ƒ 15.000,--, te vermeerderen met 8% rente vanaf 15 april 1986 en 7½% rente vanaf 6 september 1988, (c) ƒ 15.000,--, te vermeerderen met 8% rente vanaf 1 mei 1987 en 7½% rente vanaf 6 september 1988, (d) ƒ 15.000,--, te vermeerderen met 8% rente vanaf 15 februari 1988 en 7½% rente vanaf 6 september 1988;

5. aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 3.924,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het uitbrengen van deze dagvaarding, en een bedrag van ƒ 7.873,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het nemen van de conclusie van repliek (21 mei 1991);

6. de conservatoire beslagen, gelegd bij de drie te dezen betekende exploiten van waarde te verklaren.

[Verweerster] heeft de vorderingen bestreden en harerzijds in reconventie - na wijziging van eis - gevorderd:

1. primair: [eiser] te veroordelen om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 312.700,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de eis in reconventie (6 november 1990),

subsidiair:

2. [Eiser] te veroordelen tot het doen van rekening en verantwoording over het gevoerde financiële beheer in de jaren 1984, 1985, 1986, 1987 en 1988 op grond van art. 771 Rv. e.v.;

3. De door [eiser] gelegde conservatoire beslagen op te heffen, deze niet van waarde te verklaren en te verklaren dat deze onrechtmatig zijn gelegd, met veroordeling van [eiser] in de kosten terzake.

[Eiser] heeft in reconventie de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 12 mei 1993 in conventie de vorderingen van [eiser] toegewezen. In reconventie heeft de Rechtbank [eiser] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 18.000,-- met de wettelijke rente daarover vanaf 6 november 1990 en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] zowel in conventie als in reconventie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. [Eiser] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[verweerster] heeft voorts in hoger beroep een incidentele conclusie genomen houdende verzoek tot zekerheidstelling ex art. 54 Rv en in het incident geconcludeerd dat het Hof aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad alsnog de voorwaarde zal verbinden dat volledig, althans voor een bedrag van ƒ 2.600.000,--, althans tot een bedrag als het Hof goeddunkt, zekerheid wordt gesteld voor het door [verweerster] aan [eiser] te betalen bedrag.

[Eiser] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.

Bij arrest van 6 januari 1994 heeft het Hof in het incident bepaald dat [eiser] voorafgaande aan de executie van het vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 12 mei 1993 zekerheid dient te stellen tot een bedrag van ƒ 2.000.000,--, of bij een gedeeltelijke executie tot het beloop van de helft van het te executeren bedrag, echter uitsluitend indien de aan het stellen van die zekerheid verbonden kosten telkens op voorhand door [verweerster] aan [eiser] zijn voldaan. Voorts heeft het Hof de termijn waarbinnen die zekerheid moet worden aangeboden of gesteld bepaald op 14 dagen voor de aanvang van de executie en die waarbinnen die zekerheid moet worden aanvaard of geweigerd op zeven dagen na die aanbieding of zekerheidstelling en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Na een tussenarrest van 16 oktober 1997 heeft het Hof bij tussenarrest van 7 mei 1998 [eiser] tot tegenbewijslevering toegelaten en iedere verdere beslissing aangehouden.

Het tussenarrest van het Hof van 7 mei 1998 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstvermeld tussenarrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in cassatie.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Oprichter] en zijn echtgenote [oprichtster] waren de oprichters en eerste bestuurders van de Stichting Nederlands Instituut voor het Arabisch Cultuurgebied (NIAC).

(ii) [Eiser] verrichtte sinds 1984 werkzaamheden voor het [oprichters] en NIAC. Tot die werkzaamheden behoorde het behulpzaam zijn bij financiële en administratieve taken.

(iii) [Oprichtster] is op 13 december 1988 overleden. In haar testament heeft zij NIAC tot haar enig erfgenaam benoemd. NIAC heeft die nalatenschap aanvaard.

(iv) Op het moment van haar overlijden bezat [oprichtster], naast haar woonhuis en een aantal effecten, een aantal schilderijen. Daartoe behoorden acht werken van Mondriaan, die door NIAC in december 1989 op een veiling zijn verkocht voor een bedrag van ƒ 2.990.000,--.

(v) [Oprichter]is overleden op 8 september 1989. Ook hij heeft NIAC benoemd tot zijn enig erfgenaam. NIAC heeft deze nalatenschap aanvaard.

(vi) In juli 1990 is NIAC door een fusie opgegaan in [verweerster].

3.2 Voorzover in cassatie nog van belang vordert [eiser]: a) betaling van het hiervoor onder 3.1 (iv) vermelde bedrag; b) afgifte van twee kunstwerken (Maris en Braakensiek); c) betaling van vijf bedragen van in totaal ƒ 27.000,--; d) betaling van vier bedragen van in totaal ƒ 60.000,--, een en ander met rente en kosten. Aan zijn vorderingen onder a) en b) heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat [oprichtster] bij schriftelijke overeenkomst van 21 december 1984 aan hem de genoemde kunstwerken heeft verkocht en geleverd en dat zij hem daarbij kwijting heeft verleend voor de betaling van de koopprijs van ƒ 940.000,--. Hij heeft gesteld dat deze werken in het huis van [oprichtster] mochten blijven hangen tot (uiteindelijk) 31 december 1986 en dat [verweerster] de acht schilderijen van Mondriaan heeft verduisterd, althans dat [verweerster] onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld door die schilderijen te doen veilen. Aan zijn vordering onder c) heeft hij ten grondslag gelegd dat hem bij schriftelijke overeenkomst van 6 september 1988 door [oprichtster] een arbeidsbeloning is toegekend van ƒ 6.000,-- per jaar, zulks met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1984. Met betrekking tot zijn vordering onder d) heeft hij gesteld dat hij krachtens een overeenkomst van 15 maart 1985 aan [oprichtster] diverse geldbedragen tot in totaal ƒ 60.000,-- heeft geleend. Die leningen worden vermeld in de overeenkomst van 6 september 1988 en in vier ongedateerde schuldbekentenissen, voorzien van een goedschrift.

De desbetreffende geschriften, waarop hij zich heeft beroepen, zijn door [eiser] in het geding gebracht. De echtheid van de daarop geplaatste handtekeningen van [oprichtster] is niet in geschil. [Verweerster] heeft aangevoerd dat de tekst later boven die handtekeningen is geplaatst.

De Rechtbank heeft, na te hebben geoordeeld dat het op de weg van [verweerster] ligt de valsheid van deze geschriften aan te tonen en dat [verweerster] in dat bewijs niet is geslaagd, de voormelde vorderingen van [eiser] toegewezen.

Het Hof is daarentegen - in zijn tweede tussenarrest - op grond van een aantal feiten en omstandigheden tot de conclusie gekomen dat voorshands moet worden aangenomen dat de tekst van de overeenkomsten en van de schuldbekentenissen later boven de handtekening van [oprichtster] is geplaatst. Tegen dat oordeel keren zich de middelen.

3. Middel I bestrijdt de door het Hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde rov. 5. Daarin overweegt het Hof dat bij betwisting van de echtheid van de tekst van een onderhandse akte de vraag hoe de bewijslast moet worden verdeeld in beginsel beantwoord moet worden aan de hand van art. 177 Rv., doch dat het op grond van (bijvoorbeeld) de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die zich op die akte beroept, mogelijk is dat, behoudens tegenbewijs, wordt aangenomen dat die tekst later geheel of ten dele boven die handtekening is geplaatst. De beide onderdelen van het middel bevatten de klacht dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat het Hof alleen omstandigheden die de totstandkoming van de tekst betreffen, bij zijn desbetreffende oordeel in aanmerking had mogen nemen.

3.4 De beide onderdelen van het middel falen. Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat volgens de hoofdregel van artikel 177 Rv. de bewijslast ter zake van de valsheid van de onderhavige geschriften op [verweerster] rust. Vervolgens heeft het Hof op grond van een aantal omstandigheden, in rov. 6 van het bestreden arrest vermeld, geoordeeld dat [verweerster] voorshands - namelijk behoudens tegenbewijs door [eiser] - in dat bewijs is geslaagd. Daarbij mocht het Hof, zoals het heeft gedaan, alle omstandigheden die het in dit verband van belang achtte en dus ook zijn oordeel over de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van [eiser], laten meewegen. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling valt geen aanwijzing te vinden dat de wetgever te dezer zake aan bewijs als het onderhavige de beperking heeft willen verbinden dat de rechter slechts stellingen of omstandigheden die de totstandkoming van de tekst betreffen, in zijn oordeel mag betrekken. Anders dan het middel veronderstelt, is het oordeel van het Hof in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 1993, nr. 14871, NJ 1993, 179. Voor een beperking als in het middel bepleit is ook overigens geen grond te vinden, nu het juist de bedoeling van de wetgever is geweest aan de rechter, óók als het gaat om de beoordeling van de echtheid van een onderhandse akte, een grote vrijheid te geven bij de waardering van het bewijs. Uit een en ander volgt tevens dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd.

3.5 De in de middelen II tot en met V aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 11.850,-- in totaal, waarvan ƒ 11.470,-- op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de griffier, en ƒ 380,-- te voldoen aan [verweerster].

Dit arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Herrmann, Jansen, Fleers en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 14 januari 2000.