Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4244

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
112354A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4244
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 48
NJ 2000, 588 met annotatie van D.H. de Jong
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 januari 2000

Strafkamer

nr. 112354A

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse

Antillen en Aruba van 22 december 1998 in de

strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1970, wonende op [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao (Nederlandse Antillen).

1. De bestreden uitspraak

1.1 Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao van 25 september 1998, waarbij de verdachte tot straffen is veroordeeld ter zake van 1. "diefstal, vergezeld of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren", 2. "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming", 3. "overtreding van het verbod, gesteld bij artikel 3 eerste lid van de Vuurwapenverordening 1930" en 4. "mishandeling gepleegd met wapenen, als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931". Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot drie jaren en zes maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

1.2. Het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de ter zake van het onder 3 tenlastegelegde genomen beslissingen en de strafoplegging, de zaak zal verwijzen naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en het beroep voor het overige zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt over de ongenoegzame motivering van de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 voorzover het Hof daarin heeft opgenomen dat (feit 2) de goederen zijn weggenomen - welke handeling niet voltooid zou zijn - en (feit 3) dat "uitzonderingen, als bedoeld in artikel 3 lid 2 van de Vuurwapenverordening 1930 in dezen niet van toepassing waren".

3.2. De bewezenverklaring van het onder 2 tenlaste- gelegde feit houdt in:

"dat hij op 15 juni 1998 op het eiland Curacao met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen te El Grecoweg heeft weggenomen gouden vingerringen en gouden hangers en een gouden dasspeld, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door het verwijderen van een airco en via aldus ontstane opening dat pand binnen te klimmen".

3.3. In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat

(1) de verdachte op heterdaad is betrapt nadat hij zich door middel van braak toegang tot een woning had verschaft;

(2) hij daaraanvolgend de vlucht heeft genomen en het huis heeft weten te verlaten;

(3) hij zich buiten aanvankelijk met (bedreiging met) geweld heeft weten te onttrekken aan personen die hem wilden beletten te vluchten;

(4) hij tenslotte toch aangehouden werd;

(4) bij fouillering voorafgaand aan zijn (5) insluiting vingerringen, een dasspeld en twee gouden hangers in verdachte's broekzak werden aangetroffen waarvan hij verklaarde dat hij deze uit voormelde woning had gestolen, geeft 's Hofs in de bevestiging van de door het Gerecht in Eerste Aanleg gegeven bewezenverklaring besloten liggende oordeel, dat de diefstal voltooid was, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

3.4. De eerste klacht van het middel faalt.

3.5. De bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit houdt in:

"dat hij op 15 juni 1998 op het eiland Curacao voorhanden heeft gehad een pistool merk: Pietro Beretta, kaliber 9 millimeter parabellum, model 92 FS, serienummer F58792Z, zulks terwijl uitzonderingen, als bedoeld in artikel lid 2 van de Vuurwapenverordening 1930 in dezen niet van toepassing waren".

3.6. Artikel 3, tweede lid, Vuurwapenverordening 1930 luidt:

"De bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, komt enkel toe:

1e. aan een publiekrechtelijk lichaam;

2e. aan hem, die het wapen voor een publiek rechtelijk lichaam onder zich heeft;

3e. aan hem, die ingevolge de "Wapenverordening 1931" het wapen bij zich mag hebben;

4e. aan rechtspersoonlijkheid bezittende schietverenigingen zolang de in artikel 2a van de

Wapenverordening 1931 bedoelde vergunning van kracht is, benevens aan de bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, toegelaten weerkorpsen;

5e. aan hem, die het wapen voorhanden heeft met

schriftelijke algemene of bijzondere machtiging van het betrokken Plaatselijk Hoofd van Politie. Aan de machtiging kunnen voorwaarden worden verbonden. Zij wordt alleen verleend voor zover enig redelijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen niet is te vrezen. Zij kan tot bepaalde tijden en plaatsen worden beperkt".

3.7. De Wapenverordening 1931 houdt, voorzover hier van belang, in:

“De bepaling van artikel 1 is niet toepasselijk:

1E. op ambtenaren en beambten, die krachtens besluit van de Gouverneur een wapen bij zich mogen hebben;

2E. op hen, die een wapen bij zich hebben, dat behoort bij hun ambtskleding;

3E. op hen, die deel uitmaken van de gewapende macht, van de politie, voor zover het wapen, dat zij bij zich hebben, tot hun uitrusting behoort;

4E. op hen, die deel uitmaken van rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen tot

oefening in de wapenhandel - met uitzondering van schietverenigingen - doch slechts gedurende de tijd voor die oefeningen bestemd, daaronder begrepen de tijd om zich naar en van de oefenplaatsen te begeven;

5E. op hen, die deel uitmaken van rechtspersoonlijkheid bezittende schietverenigingen, die in het bezit zijn van de in artikel 2a bedoelde vergunning, doch slechts gedurende de tijd voor oefeningen bestemd, daaronder begrepen de tijd

om zich naar en van de oefenplaatsen te begeven;

6E. op hen die deeluitmaken van bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen toegelaten weerkorpsen, doch slechts gedurende de tijd voor oefeningen bestemd of gedurende de tijd dat die weerkorpsen in actie zijn, daaronder mede begrepen de tijd om zich naar en van de oefenplaatsen en van de plaatsen, waar die weerkorpsen in actie zijn, te begeven;

7E. op hen, die een vuurwapen vervoeren overeenkomstig het "Vuurwapenbesluit 1930;

8E. op hen, die andere dan vuurwapenen vervoeren zodanig ingepakt, dat zij niet voor

dadelijk gebruik kunnen worden aangewend;

9E. op hen, die voorzien zijn van een daartoe strekkende en overeenkomstig de volgende bepalingen geldige machtiging;

10E. ten aanzien van de in artikel 1, tweede lid bedoelde voorwerpen, op ogenblikken dat zij als werktuig gebruikt worden of kennelijk tot de uitrusting ten dienste van de uitoefening van een beroep of bedrijf behoren;

11E. op hen, die krachtens een tot bepaalde plaatsen beperkte machtiging van het bevoegde gezag een vuurwapen en munitie voorhanden mogen hebben gedurende de tijd, dat zij zich bewegen tussen de plaatsen, waarvoor de machtiging

geldt, mits het vuurwapen gedurende het vervoer zodanig is ingepakt, dat het niet voor dadelijk gebruik kan worden aangewend".

3.8. In aanmerking genomen dat

(a) de steller van de tenlastelegging daarin -

zij het overbodig - heeft doen uitkomen dat de uitzonderingen als bedoeld in art. 3, tweede lid, van de Vuurwapenverordening 1930 te dezen niet van toepassing waren, en

(b) noch de stukken van het geding, zoals deze

zijn behandeld op de terechtzittingen in feitelijke aanleg, noch de processen-verbaal van die terechtzittingen inhouden dat door of namens de verdachte het tegendeel is aangevoerd,

behoefde het Hof zijn uit bewezenverklaringen blijkende oordeel dat bedoelde uitzonderingen te dezen niet van toepassing waren, niet nader te motiveren.

3.9. Ook de tweede klacht van het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof en het Gerecht in Eerste Aanleg een onjuiste betekenis hebben gegeven aan het begrip "met gebruikmaking van wapenen" in de zin van art. 314a SrNA door ook het slaan met de kolf van een pistool daaronder te vatten.

4.2. Als feit 4 is aan de verdachte tenlastegelegd en bewezenverklaard:

“dat hij op 15 juni 1998 op het eiland Curacao opzettelijk gewelddadig, met gebruik making van een wapen, als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931 [slachtoffer 2] heeft mishandeld door toen en daar eenmaal opzettelijk gewelddadig die [slachtoffer 2] met de kolf van een pistool tegen zijn hoofd te slaan, waardoor die [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen".

4.3. Art. 314a SrNA luidt voorzover hier van belang:

"Mishandeling gepleegd met gebruikmaking van wapenen, als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 der Wapenverordening 1931, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren".

Art. 1, tweede lid, Wapenverordening 1931 houdt in:

“Önder wapenen worden in deze landsverordening verstaan:

de vuurwapenen, vallende onder de Vuurwapenverordening 1930, zomede geweren en pistolen waarmede projectielen door middel van samengeperste lucht of gas kunnen worden afge-

schoten, dolken, dolkmessen, bajonetten, ponjaarden, zwaarden, sabels, degens, klewangs, degenstokken, priemstokken, wapenstokken, gummistokken, bullepezen, ploertendoders, boksbeugels, lansen, speren, spiesen, pijlen en andere soortgelijke voorwerpen die kennelijk vervaardigd zijn om als wapen te dienen;

andere voorwerpen, die door de drager of gebruiker daarvan zijn bedoeld om als wapenen

of mede als wapenen te dienen, blijkende uit de omstandigheid waaronder of de wijze waarop zij worden gedragen of gebruikt".

4.4. Gelet op de bovenstaande, brede betekenis van het begrip "wapenen" - die insluit dat ieder voorwerp waarvan de gebruiker blijkens de wijze waarop hij dat voorwerp gebruikt, zijn bedoeling openbaart dat voorwerp als wapen te willen gebruiken, ook de wettelijke status van wapen verkrijgt - geeft 's Hofs oordeel dat het slaan met een vuurwapen "gebruikmaking van een wapen, als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 der Wapenverordening 1931" in de zin van art. 314a SrNA oplevert, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is overigens niet onbegrijpelijk.

4.5. Het middel faalt dus.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Aaftink, Orie, Van Buchem-Spapens en Van Dorst, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 11 januari 2000.