Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4113

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-01-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/123 HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 4
NJ 2000, 272 met annotatie van A.R. Bloembergen
RvdW 2000, 15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 januari 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/123HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

BLOEMBOLLENCENTRALE [eiser]HOLLAND B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr G.R. van der Plas,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij),

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 19 december 1991 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage. Zij heeft gevorderd de Staat te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van fl 516.512,78 wegens onverschuldigde betaling van keuringsvergoedingen over de periode 1970 tot 1986, alsmede een bedrag van fl 87.057,-- aan betaalde bedragen voor de seizoenen 1990/1991, 1991/1992 en najaar 1992, en van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van fl 22.159,12 met rente en kosten.

De Staat heeft de vorderingen bestreden.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 23 december 1992 op 23 februari 1993 gehouden comparitie van partijen heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 24 november 1993 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiseres] ter fine als vermeld in rov. 7 van dit vonnis.

Tegen beide tussenvonnissen heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 4 december 1997 heeft het Hof in het principaal hoger beroep [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van 23 december 1992, het tussenvonnis van 24 november 1993 bekrachtigd, en de zaak ter verdere afdoening naar voormelde Rechtbank verwezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr M.W. Scheltema, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) Bij brief van 15 februari 1971 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan de Staat meegedeeld dat zij van mening was dat de door de Staat voor fytosanitair onderzoek bij de uitvoer van planten en produkten van plantaardige oorsprong gevraagde vergoeding moest worden beschouwd als een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht. Naar het oordeel van de Commissie leverde een vergoeding, die uitsluitend ten aanzien van voor uitvoer bestemde produkten wordt geheven en geen evenredige tegenprestatie voor een bepaalde werkelijk verleende dienst vormt, strijd op met onder meer de artikelen 12 en 16 van het EEG-verdrag.

(ii) Bij brief van 28 juli 1975 verzocht de Commissie de Staat een einde te maken aan de heffing van bedoelde vergoedingen.

(iii) In zijn arrest van 12 juli 1977 inzake de Commissie/Nederland (zaak C-89/76, Jurispr. 1977, p. 1355) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen onder meer overwogen dat de vergoedingen niet zijn te beschouwen als heffingen van gelijke werking als douanerechten, mits hun bedrag de werkelijke kosten der verrichtingen naar aanleiding waarvan zij worden geheven, niet overschrijdt.

(iv) In het voorjaar van 1978 heeft de Staat [naam] Hillegom B.V. gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en betaling van keurlonen over de jaren 1974 tot en met 1977 gevorderd. Bij arrest van 12 april 1991, nr. 13428, NJ 1992, 49, heeft de Hoge Raad, na het ontvangen antwoord op prejudiciële vragen aan het Hof (arrest 2 mei 1990, C-111/89, NJ 1992, 48), de vordering van de Staat voor het overgrote deel afgewezen. De Hoge Raad heeft in zijn genoemde arrest geoordeeld dat de vergoedingen berekend in het Tarief Plantenziektenkundige Dienst naar de maatstaf van gewicht en factuurwaarde van de te exporteren planten(delen) niet mogen worden geheven omdat zij, aldus berekend, zijn aan te merken als heffingen met gelijke werking als douanerechten.

(v) In de eerste instantie van de onder (iv) genoemde procedure hebben advocaten voor de Staat tweemaal in correspondentie met de Rechtbank, deze procedure aangeduid als een "proefprocedure".

(vi) Bij brief van 8 januari 1975 aan de Plantenziektenkundige Dienst te Wageningen heeft [eiseres] die dienst verzocht alle door haar vanaf 1 juli 1968 voor keuringen bij export naar lidstaten betaalde bedragen te restitueren.

(vii) Bij brief van 10 maart 1978 heeft [eiseres] aan de Plantenziektenkundige Dienst een bankgarantie terzake van keurlonen gezonden. Daarbij heeft zij onder meer het volgende geschreven:

"Het doel van dit schrijven is thans reeds onze rechten op restitutie vast te leggen van al hetgeen onverschuldigd wordt betaald, inclusief de wettelijke rente met ingang van de datum waarop de bank elke afzonderlijke betaling uit hoofde van de bankgarantie zal hebben gedaan."

(viii) In de periode van 3 april 1978 tot en met 4 maart 1983 heeft [eiseres] een reeks brieven betreffende betaling van keurlonen gezonden aan de Plantenziektenkundige Dienst en daarin telkens vermeld dat betaling van keurlonen geschiedt onder protest van gehoudenheid en onder reserve van rechten alsmede, dat, indien in de tegen [naam] Hillegom B.V. te voeren procedure mocht blijken dat de door [eiseres] betaalde bedragen geheel of ten dele niet verschuldigd zijn, zij deze zal terugvorderen.

(ix) [Eiseres] heeft in de periode 1970 tot 1986 ter zake van keurlonen in totaal fl 516.512,78 aan de Staat betaald.

(x) Over de periode juni 1986 tot 1990 heeft [eiseres] een bedrag van fl 100.792,-- betaald aan het Produktschap voor Siergewassen wegens heffingen terzake van keuringskosten voor bloembollen.

3.2 In dit geding heeft [eiseres] gevorderd dat de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van onder meer fl 617.304,-- terzake van onverschuldigd betaalde keurlonen. [Eiseres] heeft deze vorderingen erop gegrond dat de door haar gedane betalingen keurlonen betreffen die in strijd met het EG-recht zijn geheven, en dat zij die betalingen onverschuldigd heeft verricht.

De Staat heeft met een beroep op de Wet van 31 oktober 1924 (Stb. 482) tot zijn verweer aangevoerd dat de rechtsvordering van [eiseres] is verjaard voorzover het betalingen betreft die zijn gedaan vóór 1 januari 1986.

De Rechtbank heeft in haar tweede tussenvonnis geoordeeld dat de verjaring door de hiervoor in 3.1 onder (viii) vermelde brieven telkens is gestuit en dat zulks voor het laatst het geval is geweest door de brief van 4 maart 1983. Daarna is naar het oordeel van de Rechtbank de verjaring opnieuw gaan lopen en niet meer gestuit zodat de verjaring is voltooid op 31 december 1988.

Het Hof heeft, voorzover in cassatie nog van belang, de grief die [eiseres] tegen het hiervoor weergegeven oordeel van de Rechtbank had aangevoerd, verworpen. Daarbij heeft het Hof onder meer overwogen dat [eiseres] geen omstandigheden van zodanige aard heeft gesteld dat naar de regels van redelijkheid en billijkheid aan de Staat geen beroep op verjaring toekomt en dat met name het feit dat de keurlonen onder dwang door de Staat zijn ingevorderd niet als zodanige omstandigheid kan gelden.

Daartegen keert zich het uit vier onderdelen opgebouwde middel. Het eerste onderdeel bevat geen klacht.

3.3 Onderdeel 2 is gericht tegen 's Hofs rov. 4 waarin het Hof tot de slotsom komt dat het beroep van de Staat op de in de Wet van 31 oktober 1924 voorziene verjaring, gegrond is. Hetgeen het onderdeel daartegen aanvoert laat zich als volgt weergeven dat het Hof heeft miskend dat in de gegeven omstandigheden, te weten dat [eiseres] pas na protest en onder dwang de keurlonen heeft betaald en dat de in 3.1 onder (viii) genoemde procedure een proefprocedure was, toepassing van de in de Wet van 1924 voorziene verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Waar [eiseres] zich erop beroept dat zij de keurlonen onder dwang heeft betaald, bedoelt zij daarmee klaarblijkelijk dat zij als exporteur van bloembollen door haar voor uitvoer bestemde bloembollen diende te laten keuren en feitelijk genoodzaakt werd de daarvoor door de Staat in rekening gebrachte keurlonen te betalen, terwijl de Staat heeft geweten of moeten begrijpen dat [eiseres] tot betaling van die keurlonen is overgegaan omdat zij vreesde dat zij anders de door haar voor export bestemde bloembollen niet zou kunnen exporteren. Nu het Hof in het midden heeft gelaten of hiervan sprake, was zal daarvan bij de beoordeling van het middel veronderstellenderwijs moeten worden uitgegaan.

Aldus wordt het in dit geding aan de orde zijnde geval hierdoor gekenmerkt dat onder exporteurs van bloembollen bekend was dat de Staat in de procedure tegen [naam] Hillegom B.V. duidelijkheid erover wenste te krijgen of en in hoeverre hij bevoegd was keurlonen in rekening te brengen en dus eveneens dat het voor de Staat niet zeker was of hij daartoe bevoegd was. Voorts dat [eiseres] zich in de hiervoor vermelde zin gedwongen voelde de keurlonen te betalen en de Staat die betalingen aanvaardde terwijl hij enerzijds niet zeker ervan was dat hij op betaling daarvan aanspraak kon maken en anderzijds wist dat [eiseres] de betalingen deed onder protest van gehoudenheid daartoe. Onder deze omstandigheden had het op de weg van de Staat gelegen om, zo hij zich het recht wilde voorbehouden om zich op de meergenoemde verjaring te beroepen, [eiseres] daarvan in kennis te stellen toen deze aan de Staat mededeelde dat zij zich het recht voorbehield door haar betaalde keurlonen als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de Staat heeft aangevoerd dat hij dit heeft gedaan. Onder deze omstandigheden heeft de Staat een situatie in het leven geroepen waarin zozeer voor de hand lag dat exporteurs van bloembollen ervan uitgingen dat de Staat wilde afwachten of en in hoeverre hij in de procedure tegen [naam] Hillegom B.V. in het ongelijk zou worden gesteld alvorens tot restitutie van keurlonen over te gaan, dat het beroep van de Staat op de in de Wet van 1924 voorziene verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, voorzover deze verjaring een aanvang zou hebben genomen vóór de datum van het arrest van de Hoge Raad in laatstgenoemde procedure.

3.4 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat onderdeel 2 gegrond is. 's Hofs arrest moet worden vernietigd. Verwijzing moet volgen. De overige onderdelen behoeven geen behandeling meer.

Na verwijzing zal het Hof waarnaar de zaak verwezen wordt mede hebben te onderzoeken of [eiseres] zich in de hiervoor vermelde zin gedwongen heeft kunnen voelen de keurlonen aan de Staat te betalen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 december 1997;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op fl 8.948,05 aan verschotten en fl 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Van der Putt-Lauwers, Hammerstein en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 7 januari 2000.