Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4070

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35088
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 28d
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 4c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/96
FED 2000/30
WFR 2000/38, 3
V-N 2000/7.27 met annotatie van Redactie
NTFR 2000/44 met annotatie van mr. M. Houtzager
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35088

5 januari 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X B.V. c.s. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 december 1998 betreffende na te melden beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak januari 1996 tot een bedrag van f 518.132,-- is door de Inspecteur bij beschikking van 3 mei 1996 afgewezen, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Vervolgens heeft de Inspecteur ambtshalve teruggaaf van omzetbelasting verleend tot een bedrag van f 324.835,--, waarvan een bedrag van f 287.860,-- betrekking had op evenbedoeld verzoek om teruggaaf.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep gegrond heeft verklaard, de uitspraak van de Inspecteur en de daarbij gehandhaafde beschikking heeft vernietigd en teruggaaf van omzetbelasting heeft verleend tot een bedrag van

f 287.860,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Van belanghebbende maken deel uit vennootschappen die autobedrijven exploiteren. Deze bedrijven houden zich onder meer bezig met de inkoop en verkoop van gebruikte auto’s. Belanghebbende past hierbij voor de omzetbelasting de zogeheten margeregeling toe volgens het systeem van jaarglobalisatie als bedoeld in artikel 28d van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) juncto artikel 4c, lid 6, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (tekst 1995; hierna: de Uitvoeringsbeschikking).

Om te voorkomen dat zij over het jaar 1995 een (niet meer verrekenbare) negatieve marge zou gaan behalen, is belanghebbende eind 1995 overgegaan tot de verkoop van 126 gebruikte auto’s (hierna: de auto’s) tegen boekwaarde aan werknemers of familieleden van werknemers. Aan de werknemers was mondeling toegezegd dat zij de auto’s in januari 1996 aan belanghebbende terug zouden kunnen verkopen. Ieder van de betrokken werknemers heeft een aantal personenauto’s gekocht, gemiddeld zeven.

Ter uitvoering van een en ander werden door de werknemers orderbevestigingen getekend, werden aan die werknemers facturen uitgereikt en werden met hen overeenkomsten van geldlening gesloten. De geldleningen werden ultimo 1995 als vorderingen op de balansen van de betrokken vennootschappen opgenomen. In 1996 werden aan de werknemers rentenota’s ter zake van de geldleningen toegezonden. De rentebedragen werden niet geïnd maar als loonbestanddeel van de werknemers behandeld. De kentekens van de auto’s werden op naam van de werknemers gesteld en (ten dele) geschorst. De auto’s bleven staan op de bedrijfsterreinen van de tot belanghebbende behorende vennootschappen en de sleutels werden niet aan de werknemers afgegeven.

Voorzover de auto’s op 31 januari 1996 niet aan derden waren geleverd, zijn ze op die datum weer van de werknemers ingekocht voor dezelfde prijs als waarvoor ze eerder aan de werknemers waren verkocht. Daartoe zijn schriftelijke overeenkomsten aangegaan. Ook zijn inkoopverklaringen aan de werknemers uitgereikt. De geldleningsovereenkomsten werden na de wederinkoop beëindigd. De kentekens werden weer op naam van de tot belanghebbende behorende vennootschappen gesteld. Voorzover voor de auto’s vóór 31 januari 1996 een koper was gevonden, vond de verkoop plaats door belanghebbende, die op diezelfde dag de betrokken auto van de betrokken werknemer inkocht tegen dezelfde prijs als waarvoor die auto eerder aan die werknemer was verkocht.

Belanghebbende heeft de aan de werknemers op facturen in rekening gebrachte bedragen in aanmerking genomen bij het berekenen van de over het tijdvak december 1995 behaalde winstmarge als bedoeld in artikel 28d van de Wet. Een en ander had tot gevolg dat de teruggaaf van omzetbelasting ingevolge artikel 4c, lid 6, van de Uitvoeringsbeschikking voor het jaar 1995 door belanghebbende werd berekend op een bedrag dat

f 230.272,-- hoger was dan anders het geval zou zijn geweest.

3.2. Het Hof heeft als vaststaand aangemerkt: dat de 126 auto’s in december 1995 aan werknemers tegen boekwaarde zijn verkocht onder de mondelinge toezegging dat de werknemers de auto’s in januari 1996 voor dezelfde prijs aan belanghebbende konden terugverkopen; dat de auto’s in januari 1996 alle voor dezelfde prijs van de betrokken werknemers zijn teruggenomen; dat belanghebbende ter zake van de koopprijzen leningen heeft verstrekt, die in januari 1996 alle zijn afgelost; dat door werknemers feitelijk geen rente is betaald; dat de auto’s op de bedrijfsterreinen van de tot belanghebbende behorende vennootschappen zijn blijven staan en onder de verzekering van belanghebbende bleven vallen; dat de sleutels van de auto’s bij de vennootschappen zijn gebleven; dat voorzover auto’s aan derden zijn verkocht, zulks feitelijk voor rekening en risico van belanghebbende heeft plaatsgevonden.

Het Hof heeft voorts aannemelijk geacht dat de aan werknemers berekende rente en de motorrijtuigenbelasting feitelijk niet ten laste van de werknemers zijn gekomen en dat door de werknemers geen handelingen zijn verricht om de kentekens op hun naam, en weer terug op naam van de tot belanghebbende behorende vennootschappen te krijgen.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende wel heeft gesteld, maar tegenover het gemotiveerde verweer van de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betrokken werknemers, indien zij dat hadden gewild, met de auto’s hadden kunnen gaan rijden en dat zij, indien zij dat hadden gewild, winst op de aangekochte auto’s hadden kunnen maken door die aan derden te verkopen.

3.2.3. Voorzover middel Ia klaagt over onjuiste verdeling van de bewijslast, faalt het, daar ‘s Hofs oordelen met betrekking tot de bewijslastverdeling niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, en als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst.

3.4. Middel Ib stelt dat het Hof zonder nadere motivering niet heeft kunnen beslissen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat, indien de betrokken werknemers dat hadden gewild, zij winst op de aangekochte auto’s hadden kunnen maken door die aan derden te verkopen, nu het Hof reeds als vaststaand had aangemerkt dat de 126 auto’s aan werknemers zijn verkocht onder de mondelinge toezegging dat de werknemers de auto’s in januari 1996 voor dezelfde prijs aan belanghebbende konden terugverkopen. Eerstgenoemd oordeel is echter aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden, en behoefde geen nadere motivering aangezien de in laatstgenoemd oordeel bedoelde toezegging geen betrekking heeft op andere dan met belanghebbende te verrichten transacties.

3.5. Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat de bij de overeenkomsten betrokken partijen hebben beoogd dat de werknemers de macht zouden verwerven om als eigenaar over de auto’s te beschikken, en evenmin dat de werknemers een zodanige macht over de auto’s hebben kunnen uitoefenen. Het Hof heeft vervolgens de Inspecteur geslaagd geacht in het bewijs van zijn stellingen dat het niet de bedoeling van belanghebbende is geweest aan de werknemers de eigendom van de auto’s over te dragen, en dat die auto’s niet aan de werknemers zijn geleverd in de zin van artikel 3, lid 1, onderdeel a, van de Wet.

Middel IIa klaagt erover dat het Hof heeft miskend dat voor de toepasselijkheid van genoemd wetsartikel voldoende is dat de juridische eigendom van een zaak wordt overgedragen. Het middel faalt, aangezien, wat er zij van de juistheid van laatstgenoemde stelling, in ’s Hofs oordeel ligt besloten dat noch de juridische eigendom noch anderszins de macht om als eigenaar te beschikken aan de werknemers is overgedragen en dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en als verweven met waardering van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Op dezelfde gronden falen ook de middelen IIb en IIc.

Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur en de daarbij gehandhaafde beschikking vernietigd en teruggaaf van omzetbelasting verleend tot een bedrag van f 287.860,--. Nu de Inspecteur ambtshalve teruggaaf van omzetbelasting heeft verleend tot een bedrag van f 324.835,--, waarvan een bedrag van f 287.860,-- betrekking had op evenbedoeld verzoek om teruggaaf, had het Hof de aldus aangepaste beschikking van de Inspecteur dienen te handhaven. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en omtrent het griffierecht;

vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

handhaaft de beschikking inzake de teruggaaf zoals door de Inspecteur naderhand aangepast;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht ten bedrage van ƒ 315,--.

Dit arrest is op 5 januari 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren De Moor, Van Brunschot, Van Vliet en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.