Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4050

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
112843 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4050
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 januari 2000

Strafkamer

nr. 112843 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

inzake het verzoek om

uitlevering aan Italië

van:

[opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] (Iran),

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Haarlem.

1. De procesgang

1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van

19 oktober 1999, waarvan een afschrift aan dit arrest is gehecht. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 15 april 1999 vernietigd. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 9 november 1999 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 9 november 1999 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr M. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, die voor hem het woord tot verdediging heeft gevoerd.

1.3. De waarnemend Advocaat_Generaal Keijzer heeft een schriftelijke samenvatting van zijn opvatting omtrent het verzoek tot uitlevering overgelegd. Deze houdt in dat de verzochte uitlevering toelaatbaar is.

2. Het verzoek tot uitlevering

2.1. Het verzoek tot uitlevering is gedaan bij diplomatieke nota van de Ambassade van Italië van

5 maart 1999, gericht aan het Ministerie van Justitie.

2.2. Het verzoek strekt tot uitlevering ter strafvervolging ter zake van de feiten die in de Engelse vertaling van het bij het verzoek gevoegde aanhoudingsbevel als volgt zijn omschreven:

"[opgeëiste persoon], (... )

"CHARGED WITH

"the offence provided for in Arts 81, 2nd "paragraph and 317 of the Criminal Code for "having, in furtherance of the same criminal "plan, abused his powers as a high-ranking

"official of IFAD, a special agency of the "United Nations located in Rome, obliged various "consultants such as [slachtoffer 1], "[slachtoffer 2] and [slachtoffer 3] to give "him the sum of 411 million lire, threatening "them, in case they refused, to interrupt any "working relationship with IFAD.

"In Rome and elsewhere from 1994 and September "1997".

2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd:

- een authentiek afschrift van een bevel tot aanhouding, uitgevaardigd door Carmelita A. Russo, Giudice per le Indagini Preliminari, nr. 13818/98/R, van 19 november 1998;

- "Richiesta di Estradizione" betreffende [opgeëiste persoon] van 4 december 1998,

- de tekst van een aantal toepasselijke Italiaanse wetsbepalingen.

Door tussenkomst van de Advocaat-Generaal is ook nog de tekst van art. 357 van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht overgelegd.

Voorts bevinden zich bij de stukken vertalingen in het Engels van de hierboven aangeduide stukken.

3. Gevoerde verweren

Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman de volgende verweren gevoerd.

De eis van dubbele strafbaarheid is in tweeërlei opzicht niet vervuld:

a. er is geen sprake van strafbaarheid naar Italiaans recht, omdat de opgeëiste persoon geen ambtenaar is in de zin van 357 van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht; de door de Italiaanse autoriteiten als toepasselijk aangewezen strafbepaling van art. 317 van genoemd wetboek stelt de eis dat het delict door een ambtenaar is begaan; de opgeëiste persoon was in dienst van het International Fund for Agricultural Developments (hierna te noemen IFAD); anders dan art. 357 van genoemd wetboek eist, is het IFAD geen "public body" in de zin van die bepaling; die bepaling ziet op nationale overheden en nationale ambtenaren;

maar ook als de bepaling wel zou zien op interna- tionale organisaties, dan nog is er geen strafbaar- heid naar Italiaans recht; het IFAD verricht immers geen "public administrative functions" zoals omschreven in de tweede zin van genoemd art. 357;

b. er is geen strafbaarheid naar Nederlands recht, omdat art. 328ter Sr niet ziet op een gedraging als de onderhavige gedraging die immers door het element van dwang en niet door dat van omkoping wordt gekenmerkt; voorts wordt nergens in de stukken het verwijt gemaakt dat de opgeëiste persoon iets zou hebben verzwegen; ook art. 363 Sr, noch enige andere delictsomschrijving is op de onderhavige gedragingen toepasselijk;

maar ook als de omschreven gedragingen wel onder art. 328ter Sr zouden zijn te rubriceren, dan nog behoort de uitlevering niet toelaatbaar te worden verklaard, omdat de aan de opgeëiste persoon verweten gedragingen in Nederland niet als eenzelfde inbreuk op de rechtsorde zijn strafbaar gesteld als dit in Italië in art. 317 van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht is geschied; het hier eventueel in aanmerking komende art. 328ter Sr beschermt het belang dat giften niet ten opzichte van de werkgever worden verzwegen; genoemd art. 317 stelt het door middel van misbruik van gezag iemand dwingen iets te doen strafbaar; de norm van genoemd art. 317 is terug te vinden in het Nederlandse art. 365 Sr, maar dat is niet toepas- selijk op de onderhavige gedragingen.

4. Beslissing op de gevoerde verweren

4.1. Het Italiaanse Openbaar Ministerie is blijkens de in de schriftelijke samenvatting onder 7 aangehaalde uiteenzetting van 4 december 1998 van oordeel dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar zijn gesteld in art. 317 van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht. Bovendien ligt die opvatting ook besloten in het hiervoor onder 2.3 aangeduide bevel tot aanhouding. In aanmerking genomen het tussen de verdragspartijen geldende vertrouwensbeginsel gaat de Hoge Raad uit van de juistheid van die opvatting. Het hiervoor onder 3 sub a weergegeven verweer wordt daarom verworpen.

4.2. Bij de beoordeling van het hiervoor onder 3 sub b weergegeven verweer moet worden vooropgesteld dat het vereiste van de dubbele strafbaarheid niet vergt dat een met het recht van de verzoekende Staat overeenstemmende strafbepaling naar Nederlands recht bestaat, doch dat het materiële feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat ook valt binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling. De gedragingen waarvoor de uitlevering wordt verzocht

houden in dat de opgeëiste persoon misbruik heeft gemaakt van zijn functie bij het IFAD door derden onder bedreiging van verbreking van hun werkrelatie met het IFAD te verplichten hem geld te geven. In aanmerking genomen dat het aanhoudingsbevel voorts inhoudt:

- dat de IFAD een nauwgezet en gedetailleerd onderzoek heeft gedaan voorafgaand aan de aangifte;

- dat aanwijzingen bestaan dat het ontvangen geld op naam van de vrouw van de opgeëiste persoon werd ondergebracht op rekeningen in tax-havens waarvan bekend is dat derden daartoe niet kunnen doordringen;

- dat [slachtoffer1] door [opgeëiste persoon] zou zijn bedreigd omdat hij de feiten ter kennis van het IFAD had gebracht, ligt daarin tevens besloten dat de opgeëiste persoon vermoed wordt de door hem ontvangen bedragen tegenover het IFAD, zijn werkgever, te hebben verzwegen. Aldus is ook naar Nederlands recht sprake van strafbaarstelling en wel op grond van art. 328ter Sr. Het strafrechtelijke verwijt dat de betrokkene in Italië wordt gemaakt stemt in zoverre overeen met het verwijt dat in art. 328ter Sr besloten ligt, dat volgens beide bepalingen strafbaar is degene die in strijd met de verplichtingen die uit zijn dienstbetrekking voortvloeien voordeel trekt uit zijn positie als werknemer. Dat daarbij de dienstbetrekking met een internationale ambtenaar naar Italiaans recht wordt gelijk gesteld met een nationale ambtelijke dienstbetrekking en naar Nederlands recht niet, zodat naar Italiaans recht het accent meer ligt op het publiekrechtelijke aspect van de dienstbetrekking terwijl naar Nederlands recht het gebrek aan loyaliteit jegens de werkgever meer op de voorgrond staat, vormt daarbij niet een zodanig verschil dat op grond van het uiteenlopen van de strekking van de beide strafbepalingen zou moeten worden geoordeeld dat niet is voldaan aan het in art. 2, eerste lid, EUV neergelegde vereiste van dubbele strafbaarheid.

5. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering

5.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering voorts als volgt.

5.2. De persoon die is gehoord ter zitting van

9 november 1999 heeft verklaard dat hij is

[opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Iraanse en niet de Nederlandse nationaliteit bezit.

5.3. De stukken voldoen aan de eisen die het hier toepasselijke art. 12, tweede lid, EUV stelt.

5.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd zijn naar Italiaans recht als: "Concussione" strafbaar krachtens art. 317 van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht in verbinding met art. 357 van dat wetboek, op welk feit een gevangenisstraf van vier tot twaalf jaren is gesteld.

5.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als:

Het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever of lastgever.

Op dat feit is een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar gesteld.

6. Slotsom

Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die overigens aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan dient, gelet op de artikelen 2 en 12 EUV en 328ter Sr, te worden beslist als volgt.

7. Beslissing

De Hoge Raad verklaart toelaatbaar de uitle- vering van [opgeëiste persoon] aan Italië ter strafvervolging ter zake van de hiervoor onder 2.2 vermelde feiten.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Corstens en Orie, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 4 januari 2000.