Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:ZD1501

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-1999
Datum publicatie
16-01-2020
Zaaknummer
110.296P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:ZD1501
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop van hennep. 1. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM in zijn vordering. 2. Verzoek tot nader onderzoek of aanhouding van onderzoek ttz.

Ad 1. Rechter die over vordering tot ontneming van w.v.v. moet oordelen is gebonden aan oordeel van rechter in hoofdzaak. Dit laat evenwel onverlet dat aan rechter oordelend op vordering tot ontneming van w.v.v zelfstandig oordeel toekomt m.b.t. alle verweren die betrekking hebben op vaststelling van bedrag waarop w.v.v. kan worden geschat. Hof heeft kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat verweren - ook die welke voor het eerst in ontnemingsprocedure naar voren worden gebracht - rechtstreeks betrekking dienen te hebben op ontnemingsvordering. Aldus verstaan geeft ’s Hofs oordeel geen blijk van onjuiste rechtsopvatting. In dit oordeel en motivering daarvan besloten liggend oordeel dat hier geen sprake is van een verweer dat rechtstreeks betrekking heeft op ontnemingsvordering en kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van OvJ, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad 2. ‘s Hofs oordeel dat er geen noodzaak bestond onderzoek ttz. aan te houden, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

Volgt verwerping.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering 358
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1999, 589
JOW 2000, 24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juni 1999

Strafkamer

nr. 110.296 P

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 december 1997 op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [plaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 6 februari 1996 – de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van zevenendertigduizendnegenhonderdvijfenzeventig gulden, subsidiair éénhonderd dagen hechtenis.

1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr V. Kraal, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel richt zich tegen de verwerping door het Hof van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vordering en de afwijzing van het subsidiair gedane verzoek tot nader onderzoek of aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting.

3.2. Het Hof heeft het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer verwoord en verworpen onder nummer 4 ‘’De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en het gedaan verzoek tot nader onderzoek of aanhouding van de zaak’’ op blz. 2 en 3 van het verkorte arrest.

3.3. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel moet oordelen is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Dit laat evenwel onverlet dat aan de rechter oordelend op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat.

3.4. Met hetgeen het Hof heeft overwogen ter verwerping van het namens de verdachte gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, heeft het Hof kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat verweren — ook die welke voor het eerst in de ontnemingsprocedure naar voren worden gebracht — rechtstreeks betrekking dienen te hebben op de ontnemingsvordering. Aldus verstaan geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het in dit oordeel en de motivering daarvan besloten liggende oordeel dat er hier geen sprake is van een verweer dat rechtstreeks betrekking heeft op de ontnemingsvordering en kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Voorts getuigt het oordeel dat er geen noodzaak bestond het onderzoek ter terechtzitting aan te houden niet van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

3.5. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt en Corstens, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 8 juni 1999.