Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA4797

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34521
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/266 met annotatie van Pechler
V-N 2000/11.7

Uitspraak

Nr. 34521

16 juni 1999

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (België) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 juni 1998 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 1.994.512,--, waarvan een bedrag van f 1.747.677,-- naar het bijzondere tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1991, hierna: de Wet). Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 1.784.598,--, waarvan een bedrag van f 1.353.260,-- naar het bijzondere tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet en een bedrag van f 184.503,-- naar het bijzondere tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de “verhanging” van de deelnemingen en het tot stand brengen van A B.V. als kasgeldvennootschap, gevolgd door de latere verkoop van de aandelen in A B.V. aan een derde, één samenstel van rechtshandelingen vormt. Dit oordeel, waarin ligt besloten dat de nog later tot stand gekomen verkoop van de deelnemingen waarin het schoonmaakbedrijf (de materiële onderneming) werd gedreven geen deel uitmaakte van dit samenstel van rechtshandelingen, berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feitelijke omstandigheden en behoefde geen nadere motivering. Met dit oordeel, de vermelding van het in zijn uitspraak onder 5.2.2 samengevatte feitelijke effect van dit samenstel van rechtshandelingen, en zijn oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat enig zakelijk belang voor de “verhanging”, laat staan voor de latere verkoop van de aandelen A B.V., niet aanwezig was, heeft het Hof zijn oordeel dat belastingverijdeling de doorslaggevende beweegreden voor het aangaan van dit samenstel van rechtshandelingen is geweest, toereikend gemotiveerd. Voorzover in de klachten anders wordt betoogd, falen zij.

3.2. Bij zijn oordeel dat belanghebbende geen vertrouwen heeft kunnen ontlenen aan de door de Inspecteur voor akkoord getekende brief, heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen dat daarvoor slechts plaats zou zijn indien belanghebbende eigener beweging alle relevante informatie zou hebben verstrekt. ’s Hofs oordeel dat belanghebbende aan die mededelingsverplichting niet heeft voldaan, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre falen de klachten.

3.3. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 16 juni 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Beukenhorst, Monné en Kop, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fehmers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.