Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA4748

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34696
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/208
NTFR 2000/253 met annotatie van mr. M. Houtzager
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 34696

13 oktober 1999

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 24 augustus 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, aanslagnummer 001, opgelegd ten bedrage van f 9.666,-- met een verhoging van de nageheven belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op vijfentwintig percent. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof dat deze uitspraak heeft vernietigd in zoverre zij de beschikking inzake de verhoging betreft, van de verhoging algehele kwijtschelding heeft verleend en de uitspraak voor het overige heeft bevestigd.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de klacht

3.1. Het Hof heeft - in cassatie niet bestreden - geoordeeld: dat de auto van belanghebbende aanvankelijk niet was aan te merken als een personenauto in de zin van artikel 1 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 1997; hierna: de Wet); dat belanghebbende de auto evenwel in zodanige staat heeft gebracht door het plaatsen van een polyester kap met daarin zijruiten, dat het motorrijtuig moet worden aangemerkt als een personenauto in de zin van de Wet; dat registratie als personenauto niet heeft plaatsgevonden; dat evenmin een nieuw kenteken is opgegeven; dat, nu belanghebbende een aanvang heeft gemaakt met het gebruik van de weg in Nederland met een niet-geregistreerde personenauto, belanghebbende gelet op artikel 5 van de Wet de belasting verschuldigd is; dat belanghebbende geen belasting op aangifte heeft voldaan; dat de berekening van de verschuldigde belasting overigens niet in geschil is; dat de Inspecteur terecht de onderhavige naheffingsaanslag tot het door hem berekende bedrag heeft opgelegd.

3.2. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat aan het hiervóór gestelde niet afdoet de stelling van belanghebbende dat in een gelijk geval als het zijne de naheffingsaanslag achterwege bleef, nu de Inspecteur ter zitting gemotiveerd deze stelling van belanghebbende heeft bestreden en de belanghebbende voorts geen feiten heeft aangevoerd die zijn stelling nader zouden ondersteunen.

Dit oordeel wordt door de klacht bestreden met een betoog dat ertoe strekt dat het Hof ten onrechte niet heeft geoordeeld dat te dezen sprake is van gelijke gevallen.

3.3. Blijkens de inhoud van de stukken van het geding heeft belanghebbende voor het Hof aangevoerd dat (ook in 1997) een inwoner van S voor een Jeep Wrangler met zijruiten van de Douane de gelegenheid heeft gekregen de auto aan te passen. De Inspecteur heeft zich in zijn vertoogschrift op het standpunt gesteld dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden, omdat geen sprake is van een gelijk geval. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in het onderhavige geval sprake is van een pick-up met overkapte laadbak, terwijl in het door belanghebbende aangevoerde geval sprake is van een zogenoemde Cabrio, voorzien van een softtop.

3.4. Het bestreden oordeel is in het licht van de inhoud van de gedingstukken, zoals hiervóór in 3.3 weergegeven, en gelet op de omstandigheid dat ’s Hofs uitspraak niet weergeeft wat de Inspecteur ter zitting heeft aangevoerd, zonder nadere motivering niet begrijpelijk, nu in artikel 3 van de Wet ten aanzien van de eis dat een bestelauto niet mag zijn voorzien van zijruiten, geen onderscheid wordt gemaakt tussen motorrijtuigen die zijn voorzien van een hardtop en die welke zijn voorzien van een softtop.

De klacht is derhalve terecht aangevoerd. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 13 oktober 1999 vastgesteld door de raadsheer Van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren Hammerstein en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.