Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA4647

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33809
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/219 met annotatie van Schellekens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 33809

3 maart 1999

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 september 1997 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken aa-00-bb een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 16 mei 1995 tot en met 9 augustus 1995, ten bedrage van ƒ 441,-- aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

Belanghebbende, advocaat te Breda, heeft de zaak mondeling toegelicht.

3. Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 3 maart 1999 vastgesteld door de raadsheer De Moor als voorzitter, en de raadsheren Van Vliet en Hammerstein, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.