Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA4337

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34940
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/114
FED 2000/142
V-N 2000/7.7 met annotatie van Redactie
NTFR 2000/118 met annotatie van Dr. E.B. Pechler
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 34940

15 december 1999

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 11 november 1998 betreffende de hem over het jaar 1993 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 131.969,--.

Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 135.739,--, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting, welke verhoging bij besluit van de Inspecteur tot op 25 percent is kwijtgescholden. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag en het besluit tot gedeeltelijke kwijtschelding gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. In zijn op 2 november 1994 ingediende aangifte voor het onderhavige jaar (1993) heeft belanghebbende de waarde van zijn woning in bewoonde staat gesteld op f 90.000,--.

In 1994 heeft belanghebbende een op 28 februari 1994 gedagtekend aanslagbiljet onroerendezaakbelastingen ontvangen, waarin de waarde van de woning per de peildatum 1 januari 1992 was gesteld op f 368.000,--; de aanslagen zijn door hem niet in rechte bestreden.

Bij de beoordeling van de aangifte voor 1993 in begin januari 1995 heeft de aanslagregelende ambtenaar aan de hand van een aantekening over de aankoopprijs uit 1986 en van publicaties van de Nederlandse Vereniging van Makelaars de waarde in bewoonde staat per 1 januari 1993 gesteld op f 117.600,-- (60% x f 196.000,--). In verband met deze voorgenomen correctie heeft de aanslagregelende ambtenaar op 6 januari 1995 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van belanghebbende. De aanslagregelende ambtenaar heeft in dat gesprek aangegeven dat de correctie gebaseerd was op de aankoopsom, gecorrigeerd met een algemeen landelijk waarderingspercentage. De gemachtigde heeft toen geen mededeling gedaan van de hogere waarde voor de onroerendezaakbelastingen, maar is akkoord gegaan met de correctie en heeft zijn cliënt daaromtrent geïnformeerd. Ook belanghebbende zelf heeft de Belastingdienst hieromtrent niet geïnformeerd.

3.1.2. Op 22 november 1996 is de aangifte van belanghebbende voor het jaar 1994 beoordeeld. Eerst toen heeft de aanslagregelende ambtenaar in het dossier een renseignement van de Belastingdienst Registratie en Successie te Q met betrekking tot belanghebbendes woning aangetroffen, uit welk renseignement volgde dat de waarde ervan in onbewoonde staat was bepaald op f 360.000,-- en in bewoonde staat op f 220.800,--.

Naar uit ’s Hofs uitspraak (rechtsoverweging 3.2) blijkt, heeft de Inspecteur ter zitting hieromtrent het volgende gesteld:

“De aanslag 1994 is geregeld op 22 november 1996. Eerst toen heeft de aanslagregelend ambtenaar het renseignement in het dossier aangetroffen. Bij de regeling van de aanslag 1993 moet dit renseignement nog niet ter inspectie aanwezig zijn geweest. Er kan niet worden nagegaan van welke datum het renseignement is. In die tijd werden renseignementen niet gedateerd en ook niet voorzien van een datum van binnenkomst.”

Naar aanleiding van dit renseignement is de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

3.2. In het geding voor het Hof heeft belanghebbende, kort samengevat, aangevoerd dat niet sprake is van een nieuw feit dat grond oplevert voor de onderhavige navordering, doch van een ambtelijk verzuim, dat hij gelet op de uitlatingen van de Inspecteur erop heeft mogen vertrouwen dat de aanslag als definitief afgehandeld mocht worden beschouwd, zeker nu specifiek het huurwaardeforfait met zoveel woorden door de Inspecteur is gecorrigeerd en hierover uitdrukkelijk overeenstemming is bereikt, alsmede dat geen sprake is van kwade trouw aan zijn kant.

Het Hof heeft de eerstgenoemde twee stellingen verworpen, zodat de derde stelling naar zijn oordeel geen behandeling meer behoefde; het heeft de bestreden uitspraak bevestigd.

3.3. Het middel keert zich in de eerste plaats tegen ’s Hofs oordeel dat van een ambtelijk verzuim van de Inspecteur geen sprake is en dat het renseignement het nieuwe feit oplevert, dat navordering in dit geval mogelijk maakt, en tegen het daaraan ten grondslag gelegde oordeel dat de Inspecteur heeft gesteld dat bij de regeling van de aanslag over het jaar 1993 het renseignement niet aanwezig was en dat hij ook anderszins niet op de hoogte was van de hogere waarde, en dat belanghebbende zijn stelling dat de Inspecteur reeds vóór het opleggen van de primitieve aanslag over het renseignement beschikte, tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt.

Met verwijzing naar de hiervoor in 3.1.2. weergegeven stellingen van de Inspecteur ter zitting van het Hof betoogt het middel dat, nu het renseignement een document van de Belastingdienst zelf is, het niet aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag wel beschikte over het renseignement, maar aan de Inspecteur om aannemelijk te maken dat hij op dat tijdstip niet over het renseignement beschikte. Het is, aldus het middel, in ieder geval onredelijk om de bewijslast te dezer zake op belanghebbende te leggen, indien, zoals in dit geval, het renseignement ongedateerd is.

3.4. Bij de beoordeling van dit betoog moet het volgende worden vooropgesteld. Indien, zoals hier, de belastingplichtige stelt dat sprake is van een ambtelijk verzuim, en het feit dat de inspecteur aanleiding tot navordering geeft, is vastgelegd in een van een andere eenheid van de Belastingdienst afkomstig renseignement, zal de inspecteur - als de partij die daartoe het beste in staat kan worden geacht - aannemelijk dienen te maken niet alleen dat dit renseignement ten tijde van de regeling van de primitieve aanslag nog niet in het dossier van de belastingplichtige aanwezig was, maar óók dat het toen zijn eenheid nog niet had bereikt, dan wel dat het renseignement weliswaar bij de eenheid was binnengekomen, doch op zodanig tijdstip dat het ten tijde van het regelen van de aanslag redelijkerwijs nog niet in het dossier van de betrokken belastingplichtige kon zijn gedeponeerd.

Blijkens zijn overweging dat belanghebbende zijn stelling dat de Inspecteur voor het opleggen van de primitieve aanslag 1993 reeds over het renseignement beschikte, tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft het Hof dit een en ander miskend. De omstandigheid dat in het onderhavige geval het renseignement ongedateerd is en de datum van binnenkomst niet op enigerlei wijze is vastgelegd - kennelijk omdat zulks toentertijd bij deze eenheid niet gebruikelijk was - levert geen grond op om, in afwijking van vorenvermelde regel, van de belastingplichtige te vergen dat hij aannemelijk maakt dat het renseignement reeds voor het regelen van de primitieve aanslag bij de eenheid is binnengekomen. Voorts kan uit de omstandigheid dat, zoals het Hof kennelijk heeft aangenomen op grond van hetgeen omtrent de inhoud van het door de aanslag- regelende ambtenaar op 6 januari 1995 met de gemachtigde van belanghebbende gevoerde telefoongesprek was komen vast te staan, deze ambtenaar toen zelf niet over het renseignement beschikte, niet worden afgeleid dat het toen nog niet bij de eenheid was binnengekomen of wel was binnengekomen, doch redelijkerwijs nog niet in het dossier van belanghebbende kon zijn gedeponeerd.

Het middel is derhalve in zoverre gegrond.

3.5. Voor zover het middel de vraag aan de orde stelt of al dan niet sprake is van kwade trouw van belanghebbende - kwade trouw in de zin van de tweede volzin van artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - mist het belang, nu het Hof de vraag of sprake is van zodanige kwade trouw, onbesproken heeft gelaten. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, waarbij de Hoge Raad in aanmerking neemt dat de onderhavige zaak en de zaak met het nummer 34.939 met elkaar samenhangen in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten fiscale procedures. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Hof,

- verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest,

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van de belanghebbende, vastgesteld op f 710,-- voor beroepsmatig verleende bijstand, en

- gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van

f 315,--.

Dit arrest is vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Korthals Altes, Zuurmond, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier De Bruin, in raadkamer van 15 december 1999 en in het openbaar uitgesproken.