Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA4066

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-1999
Datum publicatie
15-08-2001
Zaaknummer
33369
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA4066
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/168 met annotatie van M.W.C. FETERIS
FED 2000/16
WFR 2000/32
V-N 2000/5.6 met annotatie van Redactie
NTFR 2000/125 met annotatie van dr. A. Dongen
NTFR 2000/37 met annotatie van Dr. E.B. Pechler
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 33369

gewezen op de beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 1 mei 1997 betreffende de aan

X te Z

in rekening gebrachte heffingsrente ter zake van een hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december 1992.

1. Naheffingsaanslag, beschikking inzake de heffingsrente, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december 1992 opgelegd tot een bedrag van f 4.381,-- aan enkelvoudige belasting. Blijkens het aanslagbiljet is aan belanghebbende ter zake van de nageheven belasting heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van

f 557,--.

Na tegen de beschikking inzake de heffingsrente gemaakt bezwaar is deze bij uitspraak verminderd tot

f 545,--. Belanghebbende is van die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur en de beschikking inzake de heffingsrente ver nietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie in gesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 31 augustus 1999 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Op 12 mei 1992 heeft belanghebbende op aan- gifte een bedrag van f 2.797,-- aan omzetbelasting over het eerste kwartaal van 1992 voldaan.

Bij brief van 9 januari 1993 heeft belanghebbende, stellende dat zijn aangifte onjuist was, verzocht het bedrag aan verschuldigde omzetbelasting over het eerste kwartaal van 1992 te verminderen met f 4.381,--. Daarop heeft de Inspecteur bij beschikking van 25 maart 1993 de

over het eerste kwartaal van 1992 verschuldigde omzetbelasting nader vastgesteld op f 1.584,-- negatief. Op 15 april 1993 is het verschil tussen het nader vastgestelde bedrag en het reeds betaalde bedrag, groot

f 4.381,--, aan belanghebbende uitbetaald.

Bij brief van 27 februari 1995 heeft de accountant van belanghebbende de Inspecteur te kennen gegeven dat belanghebbende per saldo over het jaar 1992 een bedrag van f 4.381,-- te weinig aan omzetbelasting had voldaan - kennelijk omdat de teruggave op verzoek over het eerste kwartaal van 1992 bij nader inzien onjuist was - en heeft hij de Inspecteur verzocht voor dat bedrag een nahef- fingsaanslag op te leggen. Hierop heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd voor een bedrag van

f 4.381,--. Tevens heeft hij een bedrag van f 557,-- aan heffingsrente geheven. Na bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur de heffingsrente verminderd tot

f 545,--, omdat belanghebbende de naheffingsaanslag al op 8 maart 1995 had betaald.

3.2. Belanghebbende heeft uitsluitend tegen de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot de heffingsrente beroep ingesteld bij het Hof; daarbij heeft hij aangevoerd dat de Inspecteur de heffingsrente ten onrechte mede over de periode van 1 januari 1993 tot half april 1993 heeft berekend, omdat gedurende die periode het nageheven bedrag nog ter beschikking van de belastingadministratie stond. Het Hof heeft - kort samengevat - geoordeeld dat te dezen sprake is van naheffing van ambtshalve teruggegeven omzetbelasting en dat in zulk een geval gelet op artikel 30a, lid 2, (tekst 1995) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna AWR) geen heffingsrente kan worden berekend. Op deze grond heeft het Hof de uitspraak waarvan beroep en de beschikking met betrekking tot de heffingsrente vernietigd.

3.3. Middel I klaagt dat het Hof aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en ten onrechte zich niet heeft beperkt tot een beoordeling van de vraag of de heffingsrente op de juiste wijze was berekend.

Het middel faalt. Nu belanghebbende in beroep het standpunt innam dat de heffingsrente niet op de juiste wijze was berekend, diende het Hof - in zoverre met aanvulling van de rechtsgronden - ook te onderzoeken of de wet in een geval als het onderhavige het in rekening brengen van heffingsrente toelaat, en diende het, zo deze vraag naar zijn oordeel ontkennend moest worden beantwoord - zodat de vraag of de rente op juiste wijze was berekend, derhalve geen beantwoording meer behoefde - de beschikking met betrekking tot de heffingsrente in haar geheel te vernietigen. Aldus is het Hof niet buiten de grenzen van de grenzen van de rechtsstrijd getreden.

3.4.1. Middel II keert zich tegen ’s Hofs oordeel dat bij naheffing van ambtshalve teruggegeven omzetbelasting geen heffingsrente kan worden berekend, nu artikel 30a, lid 2, letter a, AWR (tekst 1995), voorzover hier van belang, bepaalt dat met betrekking tot omzetbelasting heffingsrente wordt berekend “vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven”.

3.4.2. Het middel betoogt in de eerste plaats dat ingevolge voormelde wetsbepaling het opleggen van een naheffingsaanslag in beginsel altijd leidt tot het in rekening brengen van heffingsrente, en dat, nu de onderwerpelijke naheffingsaanslag niet in geschil was, de Inspecteur derhalve terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard; het miskent dat ingevolge artikel 30a, lid 2, blijkens de bewoordingen van deze bepaling heffingsrente slechts in rekening kan worden gebracht of kan worden vergoed in de in die bepaling genoemde gevallen.

3.4.3. Voorts betoogt het middel dat in een geval als het onderhavige, waarin naheffing heeft plaatsgevonden van belasting waarvan eerder op verzoek van de belastingplichtige - naar naderhand is gebleken: ten onrechte - teruggaaf is verleend, het bepaalde in lid 2, letter a, van artikel 30a aldus moet worden uitgelegd dat voor de beantwoording van de vraag of de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven, moet worden uitgegaan van het uiteindelijk betaalde bedrag, dat wil zeggen het bedrag ná teruggaaf, en niet, gelijk het Hof heeft gedaan, van het aanvankelijk op aangifte betaalde bedrag. In zoverre treft het middel doel. Bij het redigeren van artikel 30a, tweede lid, heeft de wetgever kennelijk geen rekening gehouden met een situatie als die welke zich in het onderhavige geval voordoet. Een redelijke - en in het wettelijk systeem van de heffingsrente passende - uitleg van deze bepaling brengt echter mee dat in het geval waarin naheffing plaatsvindt van te weinig betaalde belasting omdat van de aanvankelijk op aangifte voldane belasting op een als een correctie op de aangifte te beschouwen verzoek van de belastingplichtige ten onrechte ambtshalve vermindering of teruggaaf is verleend, onder de in het tweede lid onder a voorkomende woorden “die (belasting) welke is aangegeven” wordt verstaan die belasting welke, het op verzoek teruggegeven bedrag mede in aanmerking genomen, uiteindelijk per saldo is aangegeven en voldaan. Een zodanige situatie doet zich te dezen voor, zodat terecht heffingsrente in rekening is gebracht.

3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu de Staats secretaris in zijn beroepschrift in cassatie heeft medegedeeld zich te verenigen met het standpunt van belanghebbende dat de heffingsrente moet worden verminderd met een bedrag van

f 94,--, zal de Hoge Raad de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot de heffingsrente vernietigen en de heffingsrente verminderen tot een bedrag van f 451,--.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot de heffingsrente en vermindert de heffingsrente tot een bedrag van f 451,--.

Dit arrest is vastgesteld door vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Korthals Altes, Zuurmond, Pos en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier De Bruin, in raadkamer van 15 december 1999 en in het openbaar uitgesproken.