Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA4007

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/128HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA4007
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 48
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 177
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 332
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 287
NJ 2000, 428 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2000, 11
VR 2000, 57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 december 1999

Eerste Kamer

Nr. C98/128HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

MAATSCHAPPIJ VOOR ZORGVERZEKERING GOUDA N.V.,

gevestigd te Gouda,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr J.H.F. Schultz van Haegen,

t e g e n

[fietser 1],

wonende te [woonplaats], Bondsrepubliek Duitsland,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr A.G.M. Haase.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Gouda - heeft bij exploit van 1 oktober 1993 verweerster in cassatie - verder te noemen: [fietser 1] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd [fietser 1] te veroordelen om aan Gouda te betalen:

1. de hoofdsom ten bedrage van fl 6.843,20, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 1993;

2. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van fl 1.025,13, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding.

Nadat tegen [fietser 1] verstek was verleend, heeft de Rechtbank bij verstekvonnis van 22 februari 1994 de vorderingen van Gouda toegewezen.

Bij exploit van 5 juli 1994 is [fietser 1] tegen voormeld verstekvonnis in verzet gekomen. Zij vorderde te worden ontheven van de tegen haar uitgesproken veroordeling, met afwijzing van de vorderingen van Gouda. De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 3 mei 1995 [fietser 1] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 2 oktober 1996 de vorderingen van [fietser 1] afgewezen.

Tegen dit eindvonnis heeft [fietser 1] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 31 december 1997 heeft het Hof de vonnissen van de Rechtbank van 22 februari 1994 en van 2 oktober 1996 vernietigd en de oorspronkelijke vordering van Gouda afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Gouda beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Fietser 1] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Gouda in de kosten van het geding in cassatie.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Op 22 juli 1991 heeft zich op een fietspad langs het Stationsplein te Leiden een ongeval voorgedaan, waarbij de fietsers [fietser 1] (verweerster in cassatie) en [fietser 2] waren betrokken.

Voorafgaand aan het ongeval reed [fietser 2] op dat fietspad vanaf de Morssingel in de richting van de Stationsweg en reed [fietser 1] - evenals drie andere fietsers - in de tegenovergestelde, voor haar verboden richting over het fietspad. [fietser 2] is in aanrijding gekomen met (de fiets van) [fietser 1] en ten val gekomen, waarbij hij een kaakfractuur en andere verwondingen heeft opgelopen.

Gouda heeft als ziektekostenverzekeraar de kosten van de geneeskundige behandeling van [fietser 2] voor haar rekening moeten nemen en is ingevolge art. 284 K. in de rechten van [fietser 2] gesubrogeerd.

Stellende dat [fietser 1], door in een verboden rijrichting te rijden, niet zoveel mogelijk rechts te houden en niet adequaat te reageren op de haar tegemoetkomende [fietser 2], onrechtmatig jegens [fietser 2] heeft gehandeld en het ongeval door dit onrechtmatig handelen heeft veroorzaakt, heeft Gouda tegen [fietser 1] de hiervoor onder 1 vermelde vordering tot schadevergoeding ingesteld, welke vordering bij verstekvonnis is toegewezen.

[Fietser 1] heeft vervolgens de onderhavige verzetprocedure aangespannen en daarbij gevorderd haar van de bij verstek uitgesproken veroordeling te ontheffen en de vordering van Gouda alsnog af te wijzen.

3.2 Bij tussenvonnis heeft de Rechtbank overwogen dat [fietser 1] stelt dat zij het ongeval niet heeft veroorzaakt, doch slechts daarvan getuige was. Mede op grond van het door de plaatselijke politie van het ongeval opgemaakte proces-verbaal is de Rechtbank tot het vermoeden gekomen “dat het ongeval is veroorzaakt door [fietser 1]”. De Rechtbank overwoog dat zij [fietser 1] zou toelaten “tot het bewijs van het tegendeel”, en formuleerde de bewijsopdracht in het dictum van haar tussenvonnis aldus dat zij [fietser 1] toeliet te bewijzen “dat het ten processe bedoelde ongeval is veroorzaakt door eigen toedoen van [fietser 2] dan wel door één of meer anderen dan [fietser 1]”.

In haar eindvonnis heeft de Rechtbank geoordeeld dat [fietser 1] in die bewijslevering niet was geslaagd, en de verzetvordering van [fietser 1] afgewezen.

3.3 [Fietser 1] heeft (slechts) tegen het eindvonnis van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Haar eerste appelgrief hield in dat de Rechtbank haar ten onrechte niet geslaagd had geacht in de haar bij tussenvonnis opgedragen bewijslevering. De verdere grieven van [fietser 1] hielden in, kort samengevat: dat de Rechtbank ten onrechte was voorbijgegaan aan haar stelling dat de Leidse politie bij het horen van [fietser 1] elementaire beginselen had geschonden (grief II); dat de Rechtbank ten onrechte aan door [fietser 1] in het Duits gestelde verklaringen was voorbijgegaan of deze verkeerd had begrepen (grief III); en dat de Rechtbank ten onrechte betekenis had toegekend aan de omstandigheid dat [fietser 2], anders dan [fietser 1], geen eigen belang bij de uitkomst van het geding heeft (grief IV).

Gouda heeft bij memorie van antwoord in appel, na te hebben vooropgesteld dat zij volhardde bij haar eerdere stellingen en deze als herhaald en ingelast beschouwd wilde zien, verder volstaan met het bestrijden van de grieven van [fietser 1], en geconcludeerd dat zij het eindvonnis van de Rechtbank “terecht gewezen” achtte. Bij pleidooi hebben partijen hun uiteenlopende lezingen omtrent de toedracht van het ongeval herhaald en nader toegelicht.

Het Hof heeft naar aanleiding van de eerste grief zelf de toedracht van het ongeval aan de hand van het beschikbare bewijsmateriaal onderzocht (rov. 3) en op grond van zijn bevindingen dienaangaande geoordeeld (rov. 4) dat door de bewijslevering voldoende was aangetoond “dat het ontstaan van het litigieuze ongeval te wijten is aan het verkeersgedrag van [fietser 2]”. Hieraan voegde het Hof toe: “Het feit, dat [fietser 1] in de voor haar verboden rijrichting reed, doet hieraan niet af”.

Aldus [fietser 1] in de haar door de Rechtbank opgedragen bewijslevering geslaagd achtend, heeft het Hof het verstekvonnis van de Rechtbank en haar eindvonnis in de verzetprocedure vernietigd en de oorspronkelijke vordering van Gouda alsnog afgewezen.

3.4.1 Middel I is gericht tegen de in rov. 3 en 4 van ’s Hofs arrest vervatte overwegingen. Onderdeel 1.1 van het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten toepassing te geven aan de in de rechtspraak ontwikkelde regel dat, indien een bepaalde verkeersnorm is overtreden en daardoor het gevaar voor ongevallen in het algemeen wordt vergroot, het causaal verband tussen de overtreding en het ongeval in beginsel is gegeven, en het dan aan de overtreder is om te stellen en te bewijzen dat het ongeval ook zou zijn ontstaan als hij de norm niet had geschonden.

Aldus roept het onderdeel allereerst de processuele vraag op of het Hof, nu geen van beide partijen had geappelleerd tegen het tussenvonnis van de Rechtbank, nog de vrijheid had om, na te hebben beslist dat het door de Rechtbank opgedragen bewijs door [fietser 1] was geleverd, te onderzoeken of de vordering van Gouda niettemin (geheel of gedeeltelijk) toewijsbaar is.

Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Het hoger beroep was gericht tegen de beslissing van de Rechtbank de verzetvordering van [fietser 1] af te wijzen en aldus het verstekvonnis en de daarin vervatte toewijzing van de vordering van Gouda in stand te laten. Daarmee was in hoger beroep de toewijsbaarheid van de vordering van Gouda geheel aan het oordeel van het Hof onderworpen. Na te hebben geoordeeld dat het door de Rechtbank opgedragen bewijs wel geleverd is, diende het Hof derhalve, zo nodig met aanvulling van rechtsgronden ingevolge art. 48 Rv., te onderzoeken welke consequenties dit oordeel heeft voor het al dan niet - geheel of gedeeltelijk - toewijsbaar zijn van de vordering van Gouda.

Gouda heeft immers al hetgeen zij in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, in hoger beroep gehandhaafd. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de door [fietser 1] aangevoerde grieven ertoe strekten de grenzen van de rechtsstrijd te beperken tot de enkele vraag of voormeld bewijs geleverd is, brengt zulks niet mee dat Gouda geacht zou moeten worden haar stellingen te hebben prijsgegeven door niet (incidenteel) te appelleren tegen het tussenvonnis van de Rechtbank en de daarin vervatte omschrijving van de op [fietser 1] rustende bewijslast.

3.4.2 Het onderdeel is gegrond. Het op een fietspad rijden in de verboden rijrichting is een onrechtmatige gedraging die in het algemeen het gevaar voor verkeersongevallen vergroot. Indien dit gevaar zich in de vorm van een ongeval verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen de gedraging en het ongeval in beginsel gegeven; het is dan aan de overtreder om te stellen en te bewijzen dat het ongeval ook zonder dat verkeersgedrag zou zijn voorgevallen (vgl. HR 16 november 1990, nr. 14013, NJ 1991, 55). Dit heeft het Hof klaarblijkelijk miskend, zoals in het bijzonder blijkt uit zijn overweging dat het feit dat [fietser 1] in de voor haar verboden rijrichting reed, niet eraan afdoet dat het ontstaan van het ongeval te wijten is aan het verkeersgedrag van [fietser 2].

3.4.3 De onderdelen 1.2 en 1.3 gaan uit van de onjuiste veronderstelling dat het Hof wel toepassing heeft gegeven aan de in onderdeel 1.1 bedoelde regel en kunnen dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.5 De gegrondheid van onderdeel 1.1 van middel I brengt mee dat ’s Hofs arrest niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen voor een nader onderzoek naar de vraag of en in hoeverre de oorspronkelijke vordering van Gouda toewijsbaar is. De middelen II en III kunnen onbehandeld blijven, aangezien de daarin aan de orde gestelde punten na verwijzing aan de orde kunnen komen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 31 december 1997;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam;

veroordeelt [fietser 1] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Gouda begroot op fl 719,60 aan verschotten en fl 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Herrmann, Van der Putt-Lauwers, Fleers en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 24 december 1999.

Rolnr. C98/128 Mr. Bakels