Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA4004

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/154HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA4004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 290
NJ 2000, 351 met annotatie van C.J.H. Brunner
RvdW 2000, 12
RV 2014/93 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 december 1999

Eerste Kamer

Nr. C98/154HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],

wonende op [woonplaats], Nederlandse Antillen,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr R.S. Meijer,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr P.C.M. van Schijndel.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 26 juni 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en - na vermindering van eis - gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van fl 125.000,-- als een voorschot op schadevergoeding, dan wel een zodanig bedrag als de President in goede justitie zal vermenen te behoren.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De President heeft bij vonnis van 28 augustus 1997 de gevraagde voorziening geweigerd.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 26 maart 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [verweerder] toegewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 29 oktober 1999 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] is eigenaar van de woning [adres]. Deze vormt tezamen met de woning [adres], waarvan [de buurman] sedert september 1989 eigenaar is, één pand, hierna: het pand.

(ii) Het pand is gefundeerd op palen, die hun draagvermogen vrijwel uitsluitend ontlenen aan de kleef tussen de paalschacht en de omliggende grond. Dit funderingsprincipe is niet zettingsvrij maar geneigd de zettingen van het maaiveld te volgen.

(iii) [Eiser] is eigenaar van het perceel [adres], gelegen direct naast en schuin achter het pand.

(iv) Op dit perceel heeft [eiser] in de periode van februari tot eind november 1990 bouw- en grondwerkzaamheden laten verrichten, waarbij onder meer een hal werd opgericht en het terrein daaromheen werd opgehoogd. Tevens heeft hij het langs de linker zijgevel van het pand lopende toegangspad laten ophogen en verharden.

(v) In dezelfde periode zijn ten behoeve van deze werkzaamheden over het toegangspad verscheidene vrachten vuil zand of steenkorrels vervoerd alsmede twee vrachten van in totaal 45 ton Ardenner split. De eerste vracht split van ongeveer 25 ton is op het voorste deel van het toegangspad direct naast de woning van [de buurman] gelost en heeft daar twee à drie dagen gelegen alvorens te worden uitgereden. Hetzelfde is gebeurd met de tweede vracht.

(vi) In de eerste maanden van 1990 heeft [de buurman] in de kruipruimte onder zijn woning een gelijkmatig verspreid zandpakket met een gemiddelde dikte van 25 à 30 centimeter aangebracht.

(vii) Het pand is gaan verzakken en wel zodanig dat het na een aanschrijving van de gemeente in 1995 is gesloopt.

3.2 [Verweerder] heeft [eiser] bij dagvaarding van 22 april 1992 gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam. Aanvankelijk vorderde hij vergoeding van de kosten die gemoeid waren met funderingsherstel, maar naderhand schadevergoeding op basis van sloop en nieuwbouw. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 6 juli 1994 geoordeeld dat het tot 1 januari 1992 geldende recht op het geschil van toepassing is en voorts, voor zover in cassatie van belang, dat [eiser] voor de door [verweerder] geleden schade alleen dan, maar dan ook voor de gehele schade, aansprakelijk is, wanneer vast komt te staan dat die schade zonder de in opdracht van [eiser] uitgevoerde werkzaamheden niet zou zijn ontstaan, dan wel dat die werkzaamheden de schade ook zonder de handelingen van [de buurman] zouden hebben doen ontstaan (rov. 8.5). De rechtbank heeft vervolgens bij tussenvonnis van 15 mei 1996 een onderzoek door deskundigen gelast.

3.3 Nadat de door de rechtbank benoemde deskundigen op 18 december 1996 hun rapport hadden uitgebracht, heeft [verweerder] in het onderhavige kort geding gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van fl 200.000,-- als voorschot op de schadevergoeding, welk bedrag hij na ontvangst van fl 75.000,-- heeft verminderd tot fl 125.000,--. De President heeft de gevraagde voorziening geweigerd.

In hoger beroep heeft het Hof de vordering alsnog toegewezen. Aan deze beslissing liggen onder meer de volgende overwegingen ten grondslag:

“4.5 Op grond van het deskundigenbericht moet worden aangenomen - ook [eiser] doet dat - dat de aan [verweerder] toegebrachte schade het gevolg is van de werkzaamheden van [eiser] èn de gedragingen van [de buurman].

In een dergelijk geval, waarin de schade is ontstaan door een samenloop van oorzaken, zijn - zoals [verweerder] terecht betoogt - de aansprakelijke personen, dat wil zeggen [eiser] en [de buurman], hoofdelijk voor het geheel van de schade aansprakelijk.

4.6 Daaraan doet, anders dan [eiser] meent, niet af dat de deskundigen de bijdrage van de gedragingen van [de buurman] aan de schade op 2/3 en die van de werkzaamheden van [eiser] op 1/3 stellen. Dat gegeven kan een rol spelen bij het antwoord op de vraag in hoeverre [eiser] regres kan uitoefenen jegens [de buurman], maar het speelt geen rol in de verhouding tussen [verweerder] en [eiser] en het kan niet tot de conclusie leiden dat [eiser] jegens [verweerder] niet hoofdelijk voor het geheel, maar slechts voor 1/3-gedeelte van de schade aansprakelijk zou zijn.

4.7 (…) In het onderhavige geval staat op grond van het deskundigenbericht vast dat de schade is veroorzaakt door twee samenwerkende factoren.

4.8 Dit laatste betekent dat voldaan is aan één van de voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] jegens [verweerder] voor de gehele schade, die de bodemrechter in rechtsoverweging 8.5 van meergenoemd tussenvonnis van 6 juli 1994 heeft neergelegd, te weten dat “komt vast te staan dat die schade zonder de Werkzaamheden niet zou zijn ontstaan.” Hiervóór werd reeds overwogen dat de door de deskundigen vastgestelde “bijdrageverhouding 1/3 - 2/3” niet afdoet aan de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] voor het geheel van de schade. Derhalve kan, anders dan [eiser] meent, niet gezegd worden dat de maatstaf van rechtsoverweging 8.5 op enigerlei wijze door het deskundigenbericht achterhaald is en mitsdien buiten toepassing zou moeten blijven.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat boven redelijke twijfel verheven is dat de bodemrechter, met toepassing van die maatstaf, de vordering van [verweerder] zal toewijzen.”

3.4 Onderdeel 1a van het middel klaagt, dat uit het deskundigenbericht redelijkerwijs niet kan worden afgeleid, dat is komen vast te staan dat de gehele (total loss) schade van [verweerder] zonder de in opdracht van [eiser] uitgevoerde werkzaamheden niet zou zijn ontstaan (rov. 4.8).

Het onderdeel faalt. Het daarin bestreden oordeel berust op de uitleg van het in de bodemprocedure uitgebrachte deskundigenbericht, welke uitleg is voorbehouden aan het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt. Deze uitleg is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de deskundigen de door de rechtbank in de bodemprocedure gestelde vragen onder meer aldus hebben beantwoord, dat een samengaan van een drietal invloeden (aan de zijde van [de buurman]: het aanbrengen van het zandpakket, en aan de zijde van [eiser]: het ophogen van de toegangsweg en het zware verkeer over die weg) heeft geleid tot het verloren gaan van het pand, en dat het aanbrengen van het zandpakket in belangrijker mate (twee derden) heeft bijgedragen tot de schade dan de werkzaamheden van [eiser]. Weliswaar sluiten de deskundigen niet uit dat de schade voor [verweerder] niet zou zijn ontstaan indien één van de drie genoemde invloeden niet zou zijn opgetreden, maar dat dwingt geenszins tot het oordeel dat zij, zoals het onderdeel betoogt, de mogelijkheid openlaten dat de gehele (total loss) schade ook zou zijn ontstaan, indien de werkzaamheden van [eiser] niet zouden zijn verricht.

3.5 Onderdeel 1b klaagt over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat de schade is veroorzaakt door twee samenwerkende factoren, te weten: de gedragingen van [de buurman] én de werkzaamheden van [eiser]. Het behelst in feite een herhaling van het aan onderdeel 1a ten grondslag liggende betoog, en faalt derhalve eveneens.

3.6 Onderdeel 1c, dat berust op de veronderstelling dat de onder 3.3 vermelde oordelen van het Hof zouden zijn bepaald door de opvatting dat [eiser] zou moeten bewijzen dat zonder zijn werkzaamheden niet de gehele schade zou zijn ontstaan, kan wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.7 Onderdeel 2 keert zich met een drietal klachten tegen het oordeel van het Hof dat in geval van schade ontstaan door een samenloop van oorzaken ieder van de daarvoor aansprakelijke personen jegens de benadeelde hoofdelijk voor het geheel van diens schade aansprakelijk is en dat de mate waarin elk van die oorzaken aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen daaraan niet afdoet. De klachten berusten alle op het uitgangspunt dat van hoofdelijke aansprakelijkheid voor schade ontstaan door een samenloop van oorzaken in het algemeen slechts sprake is indien verschillende personen zijn aan te wijzen die ieder de gehele schade hebben veroorzaakt.

Dit uitgangspunt is onjuist. Zowel naar het vóór 1 januari 1992 als naar het sedertdien geldende recht is in het zich hier voordoende geval, dat een schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen terwijl voor elk van die gedragingen geldt dat de schade zonder die gedraging niet zou zijn ingetreden, en derhalve door een samenloop van oorzaken, ieder van die personen jegens de benadeelde voor de gehele schade aansprakelijk, met dien verstande dat het daarbij sedert 1 januari 1992 ingevolge art. 6:102 BW gaat om een hoofdelijke aansprakelijkheid. Op het vorenstaande stuiten de klachten van onderdeel 2 alle af.

3.8 Onderdeel 3 faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp onder nr. 9.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op fl 1.770,-- aan verschotten en fl 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Herrmann, Fleers, De Savornin Lohman en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 24 december 1999.