Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA4003

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
C98/126HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 december 1999

Eerste Kamer

Nr. C98/126HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

AMERICA HARBOUR WAREHOUSING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr P.S. Kamminga,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ ONDERNEMINGEN ROTTERDAM 2,

gevestigd te Rotterdam,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr H.D.O. Blauw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploit van 11 november 1992 eiseres tot cassatie - verder te noemen: AHW - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd:

a. dat AHW in rechte verklaring zal doen van de vorderingen en zaken die door het onder haar ten laste van [derdebeslagene] gelegde beslag zijn getroffen;

b. dat AHW voorts, nadat die verklaring door haar zal zijn gedaan en door de Ontvanger goedgekeurd of in geval van tegenspraak door de rechter zal zijn vastgesteld, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om de geldsommen die door het beslag zijn getroffen aan de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd, te voldoen en de verschuldigde goederen of af te geven zaken aan voornoemde belastingdeurwaarder ter beschikking te stellen;

c. dat AHW, in gebreke blijvend verklaring te doen als voormeld, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling aan de Ontvanger van het bedrag waarvoor beslag is gelegd, zijnde fl 8.685.025,--, vermeerderd met de verschuldigde invorderingsrente, alsmede de kosten van vervolging en executie, sedert de betekening van de dwangbevelen, welke tot aan de betekening van de dagvaarding bedragen fl 40,--, als ware hij daarvan zelf schuldenaar.

AHW heeft de vorderingen bestreden en gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat AHW heeft voldaan aan haar verplichting tot gerechtelijke verklaring;

2. de Ontvanger niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot betaling van fl 2,5 miljoen gulden, althans hem deze vordering te ontzeggen onder gelijktijdige opheffing van het onder AHW gelegde beslag.

De Ontvanger heeft de vorderingen van AHW bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 6 juli 1994 de Ontvanger tot bewijslevering toegelaten.

Bij conclusie na niet-gehouden enquête heeft de Ontvanger zijn eis vermeerderd met de vordering dat AHW bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling aan de Ontvanger van een bedrag van fl 6.643,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 1995.

AHW heeft zich tegen deze eisvermeerdering verzet.

De Rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard.

Bij eindvonnis van 8 mei 1996 heeft de Rechtbank het gevorderde afgewezen.

Tegen beide vonnissen heeft de Ontvanger hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft de Ontvanger gevorderd:

a. af te keuren de door AHW bij conclusie van antwoord afgelegde verklaring;

b. vast te stellen welke vorderingen van de derde-beslagene, [..], op AHW door het op 17 augustus 1992 door de Ontvanger ten laste van Derdebeslagenen gelegde derdenbeslag zijn getroffen;

c. AHW te veroordelen de geldsommen die door het beslag zijn getroffen te voldoen aan de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd;

d. AHW te veroordelen om aan de Ontvanger te betalen (i) een bedrag van fl 6.643,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 1995, en (ii) de wettelijke rente over het sub c. vastgestelde bedrag met ingang van 14 september 1992.

Bij tussenarrest van 8 januari 1998 heeft het Hof iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van het resultaat van de bewijslevering door AHW in de procedure onder rolnummer 1148/96 van de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen Amsterdam 1 tegen AHW.

Het tussenarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het tussenarrest van het Hof heeft AHW beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van AHW in de kosten van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt AHW in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op fl 597,20 aan verschotten en fl 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Van der Putt-Lauwers, Fleers en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 24 december 1999.