Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3937

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34938
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/80
FED 2000/19
FED 2000/102
WFR 2000/34
V-N 2000/2.11 met annotatie van Redactie
NTFR 2000/10 met annotatie van Jhr.mr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 34938

22 december 1999

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 5 november 1998 betreffende de hem voor het jaar 1996 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksver-zekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 61.827,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1 De werkgever van belanghebbende is, naar niet in geschil is ten onrechte, ervan uitgegaan dat voor de toepassing van het reiskostenforfait belanghebbendes werkruimte thuis als zijn arbeidsplaats kon worden aangemerkt, zodat op de in 1996 aan belanghebbende uitgekeerde vergoeding voor de kosten van woon-werkverkeer in het geheel geen loonbelasting/premie volksverzekeringen is ingehouden. Belanghebbende is bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzeke-ringen uitgegaan van dezelfde - onjuiste - veronder-stelling. In 1993 heeft bij de werkgever, die destijds 35 werknemers in dienst had, een boekenonderzoek plaatsgevonden, waarbij de aangiften loonbelasting voor de jaren 1988 tot en met 1992 zijn onderzocht. Het verslag van dit boekenonderzoek bevat, voorzover hier van belang, de volgende passage:

‘2.1.4 Zakelijke reis- en verblijfskosten

De gedeclareerde kilometers zijn in veel gevallen hoger dan de werkelijke kilometers die voor de genoemde afstanden van toepassing zijn. Bij een onderzoek door het SFB werd overeengekomen 5% van de uitbetaalde reiskostenvergoedingen als bovenmatig aan te merken’.

3.1.2. Er heeft bij de werkgever geen naheffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen plaatsgevonden ter zake van de onjuiste toepassing van het reiskosten-forfait. Bij het regelen van de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzeke-ringen voor het jaar 1996 heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat niet belanghebbendes werkruimte thuis, maar het kantoor van zijn werkgever voor de toepassing van het reiskostenforfait als belanghebbendes arbeidsplaats moest worden aangemerkt, hetgeen heeft geleid tot een verhoging van het belastbare inkomen.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat in de in 3.1.1 weergegeven passage van het verslag in redelijkheid geen standpunt valt te lezen ten aanzien van de vraag of in het geval van belanghebbende het reiskostenforfait van toepassing was. De tegen dit oordeel gerichte klacht faalt. Met dit oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het verslag van het boekenonderzoek bij belanghebbende niet het rechtens te beschermen vertrouwen heeft kunnen wekken dat de wijze waarop belanghebbendes werkgever de aan belanghebbende uitgekeerde vergoeding voor woon-werkverkeer fiscaal heeft behandeld door de controlerende ambtenaar in zijn onderzoek zou zijn betrokken en akkoord bevonden. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de onderhavige vergoeding niet kan worden aangemerkt als een ”andere dan individueel toegekende kostenvergoeding” in de zin van het bepaalde in punt 3 onder b van de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 16 november 1984, nr. 284-13595, BNB 1985/12 (hierna: de Resolutie), nu deze vergoeding alleen aan belanghebbende is uitgekeerd. Naar het oordeel van het Hof doet de omstandigheid dat de vergoeding bij CAO was geregeld, daaraan niet af. Tegen dit oordeel is de laatste klacht gericht.

3.4. Dienaangaande geldt het volgende. De enkele omstandigheid dat een CAO de hoogte van autokostenver-goedingen regelt voor het geval die - al dan niet individueel - worden toegekend, zonder dat aan de CAO zelf het recht op een zodanige vergoeding kan worden ontleend, brengt niet mee dat sprake is van een “andere dan individueel toegekende” vergoeding in de zin van de Resolutie. Indien echter een werknemer op grond van de in zijn bedrijfstak van toepassing zijnde CAO zonder meer aanspraak kan maken op een autokostenvergoeding (in dit geval: voor de kosten van het woon-werkverkeer) is dat echter anders. Met “individueel toegekende kostenver-goedingen” heeft de steller van de Resolutie klaarblijkelijk het oog gehad op kostenvergoedingen die niet zijn toegekend op basis van uitgangspunten die zijn overeengekomen voor vergoedingen van een bepaalde soort aan groepen werknemers, zoals het geval is bij aldus in een CAO toegekende vergoedingen. Nu uit de uitspraak van het Hof niet blijkt welke van beide situaties het Hof op het oog heeft gehad, noch welke zich hier voordoet, geeft de uitspraak onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het Hof. Daarbij verdient opmerking dat indien het gaat om een in een CAO toegekende vergoeding, daarmee tevens is gegeven dat het verstrekken van die vergoeding, zoals is vereist voor toepassing van de Resolutie, in de bedrijfstak gebruikelijk is.

3.5 Deze klacht is gegrond. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad

- vernietigt de uitspraak van het Hof,

- verwijst het geding naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest,

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 710,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.

Dit arrest is op 22 december 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fehmers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.