Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3884

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/080HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3884
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 243
NJ 2000, 122
RvdW 2000, 3
EB 2000, 17
FJR 2000, 21 met annotatie van P. Dorhout
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 december 1999

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/080HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr J.H.F. Schultz van Haegen,

t e g e n

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr M.H. van der Woude.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 2 december 1997 ter griffie van de

Rechtbank te Arnhem ingekomen verzoekschrift heeft ver-

weerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich ge-

wend tot die Rechtbank en verzocht:

I.

primair: de door hem aan verzoekster tot cassatie - ver-

der te noemen: de vrouw - verschuldigde bijdrage in haar

levensonderhoud met ingang van 1 maart 1995, althans met

ingang van 1 juni 1996, althans vanaf de datum van indie-

ning van dit verzoekschrift op nihil te stellen;

subsidiair: de door hem ten behoeve van de vrouw ver-

schuldigde bijdrage in het levensonderhoud op een zodanig

bedrag vast te stellen en met ingang van een zodanige da-

tum als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te

behoren;

II.

primair: de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen

ƒ 83.917,56, zijnde de door de man sinds 1 maart 1995 on-

verschuldigd betaalde partneralimentatie, althans het be-

drag waarmee de vrouw zich sedertdien ten koste van de

man onrechtvaardig heeft verrijkt, te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf het moment waarop deze door de man

is voldaan, althans vanaf de dag van indiening van dit

verzoekschrift;

subsidiair: de vrouw te veroordelen om aan de man de be-

talen ƒ 44.804,94, zijnde de door de man sinds 1 juni

1996 onverschuldigde partneralimentatie, althans het be-

drag waarmee de vrouw zich sedertdien ten koste van de

man onrechtvaardig heeft verrijkt, te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf het moment waarop deze door de man

is voldaan, althans vanaf het moment van indiening van

dit verzoekschrift;

uiterst subsidiair: de vrouw te veroordelen om aan de man

te betalen de door de man sedert de indiening van het

verzoekschrift betaalde partneralimentatie, met veroorde-

ling van de vrouw in de kosten van de procedure, die van

het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.

De vrouw heeft de verzoeken van de man bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 1998

de verzoeken van de man en het meer of anders verzochte

afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep

ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

Bij beschikking van 9 februari 1999 heeft het Hof

de beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 14 juli

1998 vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de

onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw, vast-

gesteld bij vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 28

maart 1991, met ingang van 1 januari 1998 is geëindigd,

de vrouw veroordeeld om aan de man terug te betalen de

door de man aan de vrouw over de periode vanaf 1 januari

1998 onverschuldigd betaalde alimentatie, en het meer of

anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking

gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw be-

roep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan de-

ze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer

strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Partijen zijn in 1969 met elkaar gehuwd. Bij vonnis

van 28 maart 1991 is echtscheiding tussen hen uitgespro-

ken. In dat vonnis, dat op 29 april 1991 is ingeschreven

in de registers van de burgerlijke stand, is bepaald dat

de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar

levensonderhoud zal betalen ƒ 2.210,-- per maand. Die

bijdrage is inmiddels door de wettelijke indexering ver-

hoogd.

3.2 De man heeft, kort samengevat en voorzover in cas-

satie nog van belang, aan de Rechtbank verzocht deze bij-

drage nader te bepalen op nihil met ingang van 1 maart

1995, althans 1 juni 1996, althans vanaf de datum van in-

diening van het verzoekschrift, met veroordeling van de

vrouw tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde

alimentatie. De man heeft aan zijn (primaire) verzoeken

ten grondslag gelegd dat de vrouw met een ander

(de andere man) is gaan samenleven als waren zij gehuwd.

De Rechtbank heeft de verzoeken van de man afgewezen.

3.3 In het hoger beroep van de man is het Hof tot een

ander oordeel gekomen. Het Hof heeft vastgesteld (i) dat

de vrouw en [de andere man] vanaf 3 juli 1995 tot het na-

jaar van 1997 hebben samengewoond, (ii) dat zij een af-

fectieve relatie hadden waarvan aannemelijk is dat deze

duurzaam was, (iii) dat zij de kosten van de gezamenlijke

huishouding deelden en over en weer taken in die huishou-

ding op zich namen, en (iv) dat sprake is geweest van we-

der- zijdse verzorging. Anders dan de Rechtbank heeft het

Hof in de door de vrouw aangevoerde omstandigheid dat de

samenwoning van haar en [de andere man] voortvloeide uit

het feit dat de oudste zoon van [de andere man], bij wie

botkanker was geconstateerd, de door hen verleende ver-

zorging en verpleging nodig had, geen reden gezien te

oordelen dat deze samenleving niet gelijk te stellen is

met een samenleving als waren zij gehuwd. Tegen dat oor-

deel keert zich het middel.

3.4 Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het

Hof weliswaar van de juiste criteria is uitgegaan, doch

bij de toepassing daarvan onvoldoende aandacht heeft ge-

schonken aan de bijzondere omstandigheden die zich hier

hebben voorgedaan, zodat het Hof in strijd heeft gehan-

deld met de - tot een terughoudende toepassing nopende -

strekking van artikel 1:160 BW.

3.5 Het onderdeel faalt. Het Hof is uitgegaan van een

juiste maatstaf. De wijze waarop het Hof die maatstaf in

het onderhavige geval heeft toegepast geeft geen blijk

geeft van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verwe-

ven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet

verder op zijn juistheid worden getoetst. Het oordeel van

het Hof is ook niet onbegrijpelijk en het voldoet aan de

in gevallen als deze te stellen hoge motiveringseisen.

3.6 Indien na weging van alle daarvoor in aanmerking

komende omstandigheden aangenomen wordt dat sprake is van

een samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW, is het

door de wet bedoelde gevolg daarvan dat van rechtswege

een definitief einde komt aan de onderhoudsplicht van de

gewezen echtgenoot van de onderhoudsgerechtigde. Daarmee

is niet verenigbaar dat deze bepaling buiten toepassing

wordt gelaten op grond van ’bijzondere’ omstandigheden

die dit gevolg voor de onderhoudsgerechtigde onredelijk

doen zijn. Die omstandigheden kunnen slechts een rol spe-

len bij de beoordeling van de vraag of van een samenle-

ving als hier bedoeld sprake is, waarbij aan de motive-

ring van een bevestigende beantwoording van die vraag

juist in verband met de ernstige gevolgen voor de onder-

houdsgerechtigde hoge eisen moeten worden gesteld. Het

tweede onderdeel van het middel, dat een andere opvatting

voorstaat, treft daarom geen doel.

3.7 Aan het derde onderdeel van het middel ligt de ver-

onderstelling ten grondslag dat het Hof ervan is uitge-

gaan dat de vrouw en [de andere man] ook al in de periode

voorafgaand aan 3 juli 1995 hebben samengeleefd als waren

zij gehuwd. Die veronderstelling is echter onjuist, zodat

het middel feitelijke grondslag mist en om die reden niet

tot cassatie kan leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president

Roelvink als voorzitter en de raadsheren Herrmann,

Jansen, Fleers en Hammerstein, en in het openbaar uitge-

sproken door de raadsheer Heemskerk op 17 december 1999.