Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3875

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/078HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 1
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 2
Wet op de rechterlijke organisatie 54
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 157a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 246
NJ 2000, 427 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2000, 4
VR 2000, 56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 december 1999

HRrste Kamer

nr. C98/078HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. MEGA STAALBOUW B.V.,

gevestigd te Terborg,

2. Mr L. HARTOGS, in zijn hoedanigheid van

curator in het faillissement van MEGA

STAALBOUW B.V.,

kantoorhoudende te Doetinchem,

3. De stichting WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,

gevestigd te Rijswijk,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr G. Snijders,

t e g e n

KLAVERBLAD VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr E. Grabandt.

1.Het geding in feitelijke instanties [Slachtoffer],

wonende te [woonplaats], [..], heeft bij exploit van

21 augustus 1992 eiseres tot cassatie sub 1 - verder

te noemen: Mega Staalbouw - gedagvaard voor de

Kantonrechter te Terborg en gevorderd:

1. te verklaren voor recht dat Mega Staalbouw aanspra-

kelijk is voor de door [slachtoffer] geleden en nog

te lijden schade ten gevolge van het arbeidsongeval

d.d. 6 november 1991;

2. Mega Staalbouw te veroordelen om aan [slachtoffer]

te betalen een schadevergoeding in verband met

schade ten gevolge van een bedrijfsongeval aan hem

overkomen op 6 november 1991, een en ander op te

maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. Mega Staalbouw te veroordelen om aan [slachtoffer]

te betalen een bedrag van ƒ 15.000,--, althans een

zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede justi-

tie oordelend juist zal achten, als voorschot op de

nog bij staat op te maken geleden en nog te lijden

schade, te vermeerderen met de wettelijke rente

vanaf de dag van de dagvaarding.

Mega Staalbouw heeft een incidentele conclusie tot

oproeping in vrijwaring van verweerster in cassatie -

verder te noemen: Klaverblad - genomen.

Nadat [slachtoffer] in het incident voor antwoord

had geconcludeerd tot referte, heeft de Kantonrechter bij

vonnis van 14 januari 1993 in het incident Mega Staalbouw

toegestaan Klaverblad in vrijwaring op te roepen.

Mega Staalbouw heeft in de hoofdzaak en Klaverblad

heeft in de vrijwaringszaak de vorderingen bestreden.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 12 augustus

1993 op 7 oktober 1993 gehouden comparitie van partijen

heeft de Kantonrechter bij vonnis van 9 december 1993 in

de hoofdzaak (1) voor recht verklaard dat Mega Staalbouw

aansprakelijk is voor de door [slachtoffer] geleden en

nog te lijden schade ten gevolge van het arbeidsongeval

d.d. 6 november 1991, (2) Mega Staalbouw veroordeeld

om aan [slachtoffer] te betalen ƒ 8.000,-- als voor-

schot wegens immateriële schade, (3) [slachtoffer] in de

gelegenheid gesteld zich uit te laten in voege als in

rov. 5.5 is overwogen, en (4) iedere verdere beslissing

aangehouden. In de vrijwaringszaak heeft de Kantonrechter

(1) voor recht verklaard dat de schade die [slachtoffer]

ten gevolge van het arbeidsongeval d.d. 6 november 1991

heeft geleden en nog zal lijden wordt gedekt door de tus-

sen Mega Staalbouw en Klaverblad gesloten Aansprakelijk-

heidsverzekering voor Bedrijven, (2) Klaverblad veroor-

deeld om aan Mega Staalbouw ten behoeve van de door

[slachtoffer] geleden schade bij wijze van voorschot te

betalen (a) ƒ 8.000,-- wegens immateriële schade en (b)

ƒ 2.000,-- wegens materiële schade, (3) Klaverblad in de

gelegenheid gesteld zich uit te laten in voege als in

rov. 5.5 is overwogen, en (4) iedere verdere beslissing

aangehouden.

Tegen het in de vrijwaringszaak gewezen vonnis van

9 december 1993 heeft Klaverblad hoger beroep ingesteld

bij de Rechtbank te Zutphen.

In verband met het faillissement van Mega Staalbouw

B.V. ingevolge het vonnis van 29 november 1993 is eiser

tot cassatie sub 2 - verder te noemen: de curator - in

deze procedure betrokken en in appel eveneens gedagvaard.

Verweerster in cassatie sub 3 - verder te noemen:

het Waarborgfonds - heeft een incidentele conclusie geno-

men om als gevoegde partij te worden toegelaten.

Nadat Klaverblad voor antwoord in het incident had

geconcludeerd tot referte, heeft de Rechtbank bij inci-

denteel vonnis van 24 oktober 1996 het Waarborgfonds toe-

gestaan zich in dit geding te voegen.

Bij vonnis van 20 november 1997 heeft de Rechtbank

het in de vrijwaringszaak tussen Mega Staalbouw en

Klaverblad gewezen vonnis vernietigd en in zoverre op-

nieuw rechtdoende de vorderingen van Mega Staalbouw je-

gens Klaverblad afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest ge-

hecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank hebben Mega

Staalbouw, de curator en het Waarborgfonds beroep in cas-

satie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest

gehecht en maakt daarvan deel uit.

Klaverblad heeft geconcludeerd tot verwerping van

het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advo-

caten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries

Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Slachtoffer], op 6 november 1991 als tweede chef

werkplaats in dienst bij Mega Staalbouw, diende een zes-

tal stalen balken van 14 meter lang en 10 centimeter

breed te vervoeren uit een productieloods van Mega Staal-

bouw naar het daarbuiten gelegen bedrijfsterrein van Mega

Staalbouw.

(ii) [Slachtoffer] maakte ten behoeve van dit transport

ge-bruik van een handkar/aanhangwagen (verder te noemen:

de kar) met een lengte van circa 5 meter, uitschuifbaar

tot 8 meter; het laadvlak van deze kar was circa 20 tot

30 centimeter breder dan de spoorbreedte van de kar. In-

dien met de kar een draaiing of bocht werd gemaakt, be-

stond de kans dat de wagen omsloeg/kantelde.

(iii) [Slachtoffer] heeft de balken op de kar geladen en

deze vervolgens gekoppeld aan een vorkheftruck teneinde

de balken naar de plaats van bestemming te brengen.

(iv) Om de loods te verlaten diende tijdens het

transport in de loods een bocht te worden gemaakt; wegens

ruimtegebrek moest deze manoeuvre in verschillende etap-

pes worden uitgevoerd. Tijdens het uitvoeren van de hier-

voor bedoelde manoeuvre werd [slachtoffer] geassisteerd

door [een collega], een andere medewerker van Mega Staal-

bouw.

(v) Omdat het maken van de bocht met de combinatie

vorkheftruck en kar slechts met moeite kon worden uitge-

voerd, is de vorkheftruck losgekoppeld en buiten op het

bedrijfsterrein gestald, nadat [een collega] de balken op

de kar met behulp van de vorkheftruck had verlegd.

[Slachtoffer] en [een collega] hebben daarop de kar met

de stalen balken met handkracht verder geduwd; daarbij

zijn de balken verschoven. [Een collega] heeft vervolgens

getracht de balken te herschikken, bij gelegenheid waar-

van de kar omviel en [slachtoffer] werd getroffen door

een of meer vallende balken. [Slachtoffer] heeft daarbij

ernstig blijvend letsel opgelopen aan zijn hiel, enkel en

voet, met als gevolg (gedeeltelijke) arbeidsongeschikt-

heid.

3.2 Bij inmiddels onherroepelijk vonnis van de kanton-

rechter te Terborg van 9 december 1993, gewezen in de

hoofdzaak tussen [slachtoffer] en Mega Staalbouw, is voor

recht verklaard dat Mega Staalbouw op grond van art.

7A:1638x (oud) BW aansprakelijk is voor de door [slacht-

offer] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lij-

den schade.

3.3 In voormeld, door [slachtoffer] bij de Kantonrech-

ter aangespannen geding heeft Mega Staalbouw haar verze-

keraar Klaverblad in vrijwaring opgeroepen. De curator in

het inmiddels uitgesproken faillissement van Mega Staal-

bouw is in hoger beroep door Klaverblad in rechte betrok-

ken. Het Waarborgfonds heeft zich in hoger beroep aan de

zijde van Mega Staalbouw en de curator gevoegd nadat

[slachtoffer] het Waarborgfonds had aangesproken omdat

voor de onderhavige vorkheftruck geen verzekering als be-

doeld in de WAM was afgesloten.

3.4 De Kantonrechter heeft voor recht verklaard - voor-

zover in cassatie nog van belang - “dat de schade

die [slachtoffer] ten gevolge van het arbeidsongeval d.d.

6 november 1991 heeft geleden en nog zal lijden wordt ge-

dekt door de tussen Mega Staalbouw en Klaverblad afgeslo-

ten Aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven”.

3.5 De Rechtbank heeft in haar rov. 5.6 echter alsnog

geoordeeld “dat Klaverblad zich terecht beroept op de in

de AVB geformuleerde uitsluiting van aansprakelijkheid

voor de schade, veroorzaakt door de vallende lading van

de kar”. Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank het vonnis

van de Kantonrechter vernietigd en de vorderingen van

Mega Staalbouw jegens Klaverblad afgewezen.

3.6 In het onderhavige vrijwaringsgeding is derhalve de

vraag aan de orde of de aansprakelijkheid van Mega Staal-

bouw voor het aan [slachtoffer] overkomen ongeval valt

onder de dekking van de door Mega Staalbouw met

Klaverblad gesloten AVB. Deze AVB sluit in artikel 3 van

de daarbij behorende Algemene Voorwaarden de aansprake-

lijkheid voor motorrijtuigen zoals geregeld in de WAM

uit. Meer specifiek gaat het derhalve om de vraag of de

aan [slachtoffer] toegebrachte schade in de zin van de

WAM is veroorzaakt door een motorrijtuig in het verkeer.

De ten tijde van het aan [slachtoffer] overkomen

ongeval geldende tekst van art. 3 van de Algemene Voor-

waarden luidt - voorzover van belang - als volgt:

“Uitgesloten is de aansprakelijkheid:

(…)

2. voor schade veroorzaakt met of door

(lucht)vaartuigen, motorrijtuigen en hun lading;

deze uitsluiting geldt echter niet ten aanzien van

de aansprakelijkheid (mits niet elders gedekt):

(…)

a. van de verzekerde voor schade door goederen

die worden geladen in resp. gelost uit een

(lucht)vaartuig of motorrijtuig;

3. voor schade veroorzaakt met of door aanhangwa-

gens e.d., die gekoppeld zijn aan een motorrijtuig

of na daarvan te zijn losgemaakt of -geraakt nog

niet buiten het verkeer tot stilstand zijn gekomen;

(…)”.

3.7 De Rechtbank heeft - in cassatie onbestreden -

overwogen (a) dat de uitsluitingsclausule van Klaverblad

in de zin van de WAM dient te worden verstaan (rov. 5.6),

(b) dat - kort gezegd - het ongeval niet plaats vond tij-

dens het laden of lossen van de stalen balken (rov. 5.2)

en (c) dat de onderhavige vorkheftruck als motorrijtuig

moet worden aangemerkt en dat met die truck en de daaraan

gekoppelde kar op het bedrijfsterrein van Mega Staalbouw

aan het verkeer werd deelgenomen in de zin van art. 2 lid

1 WAM (rov. 5.3).

De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de kar,

die als aanhangwagen in gebruik is geweest bij het trans-

port van stalen balken, ook nadat zij van de vorkheftruck

was ontkoppeld, nog als aanhangwagen moet worden aange-

merkt nu zij niet veilig buiten het verkeer tot stilstand

was gekomen. Vervolgens heeft de Rechtbank overwogen dat

tijdens en als gevolg van de wijze van het na afkoppeling

van de vorkheftruck voortgezette vervoer van de kar met

de balken, deze balken zijn gaan schuiven, waarna de kar

met de balken is omgevallen en een of meer vallende bal-

ken [slachtoffer] hebben geraakt en verwond. Tenslotte

heeft de Rechtbank geoordeeld dat de omstandigheid dat de

vorkheftruck na ontkoppeling is gebruikt als werktuig om

de verschoven lading stalen balken op de kar te herschik-

ken en die vorkheftruck vervolgens op het bedrijfsterrein

is gestald, niet afdoet aan de staat van de kar als niet

buiten het verkeer tot stilstand gebrachte aanhangwagen

in de zin van de WAM (rov. 5.5).

3.8.1 Het eerste middel, verdeeld in vier onderdelen, is

gericht tegen de rov. 5.4 en 5.5 van de Rechtbank. De on-

derdelen 1a, 1b en 2 richten een aantal rechts- en moti-

veringsklachten tegen het oordeel van de Rechtbank dat de

kar ook na de ontkoppeling van de vorkheftruck als aan-

hangwagen in de zin van art. 1 WAM dient te worden be-

schouwd.

Voorzover de onderdelen strekken ten betoge dat de

Rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk

gegeven met haar oordeel dat de kar niet veilig buiten

het verkeer tot stilstand is gekomen, falen zij. De

Rechtbank heeft het rijden met de vorkheftruck en de

daaraan gekoppelde kar terecht als deelname aan het ver-

keer gekwalificeerd. Het oordeel van de Rechtbank dat de

kar, nadat zij van de vorkheftruck was losgekoppeld, niet

veilig buiten het verkeer tot stilstand was gebracht,

geeft niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk. Dit

oordeel kan, verweven als het is met waarderingen van

feitelijke aard, niet verder op juistheid worden ge-

toetst.

3.8.2 Voorzover onderdeel 1a nog aanvoert dat de Recht-

bank ten onrechte belang heeft toegekend aan de omstan-

digheid dat de plaats waar de kar werd afgekoppeld niet

berustte op een “bewuste keuze”, miskent het onderdeel

dat de Rechtbank tot uitdrukking heeft gebracht dat de

afkoppeling niet heeft plaatsgevonden met het oogmerk de

kar buiten het verkeer tot stilstand te brengen. Anders

dan het onderdeel nog wil, is niet van belang of ter

plekke verkeer aanwezig is of voorkomt.

3.8.3 Onderdeel 2 strekt in de eerste plaats ten betoge

dat de Rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of voldoen-

de verband aanwezig was tussen het ongeval en de deelname

van het motorrijtuig aan het verkeer. De Rechtbank heeft

dit, naar blijkt uit haar rov. 5.4 en 5.5 wel onderzocht.

Deze klacht mist derhalve feitelijke grondslag en kan

daarom niet tot cassatie leiden.

Voorzover het onderdeel nog klaagt dat de Rechtbank

heeft miskend dat het in het onderhavige geval gaat om

een vorkheftruck, een motorvoertuig dat niet als “normaal

motorrijtuig” kan worden aangemerkt, en voorts dat het

gaat om een ongeval in een produktieloods of een be-

drijfsterrein en het een verkeerde behandeling van de la-

ding betreft, faalt het omdat deze omstandigheden de

Rechtbank niet behoefden te weerhouden van haar oordeel

dat sprake was van een ongeval in het kader van het met

behulp van de vorkheftruck uitgevoerde vervoer.

3.9 Voorzover onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel

van de Rechtbank in haar rov. 5.5 dat niet gezegd kan

worden dat ongevallen als het onderhavige niet karakte-

ristiek zijn voor deelneming aan het verkeer, faalt het

omdat dit oordeel niet van een onjuiste rechtopvatting

blijk geeft en niet onbegrijpelijk is.

Voor het overige bouwt onderdeel 3, evenals onder-

deel 4, voort op de eraan voorafgaande onderdelen en moe-

ten zij het lot daarvan delen.

3.10 Het tweede middel klaagt dat, in aanmerking genomen

dat vrijwaring niet de regels van absolute competentie

doorbreekt en gegeven de inhoud van de door Mega

Staalbouw in het vrijwaringsgeding ingestelde vordering,

de Kantonrechter onmiskenbaar noch uit hoofde van het on-

derwerp van het geschil noch uit hoofde van het beloop

van de vordering bevoegd was om van de zaak kennis te ne-

men, zodat de Rechtbank dit een en ander ambtshalve had

moeten constateren en de zaak in de stand waarin zij zich

bevond, had behoren te verwijzen naar de wel bevoegde

rechter, zijnde het Hof te Arnhem. Dit tweede middel is

in de schriftelijke toelichting alsnog subsidiair voorge-

steld ten opzichte van het eerste middel voor het geval

dat middel zou falen.

3.11 Nu het eerste middel faalt, komt het tweede middel

aan de orde. Het middel betoogt terecht dat de Kanton-

rechter onbevoegd was om van de vordering in vrijwaring

kennis te nemen en dat de Rechtbank, waaraan de zaak in

hoger beroep was voorgelegd, deze op de voet van art.

157a lid 1 Rv in de stand van hoger beroep had behoren te

verwijzen naar het hof. Nu evenwel de Rechtbank dit niet

heeft gedaan en in plaats daarvan de zaak in hoger beroep

ten principale heeft behandeld en beslist, is er in dit

stadium geen plaats meer voor een verwijzing van de zaak

in de stand van hoger beroep naar het hof. Het middel kan

daarom niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Mega Staalbouw, de curator en het

Waarborgfonds in de kosten van het geding in cassatie,

tot op deze uitspraak aan de zijde van Klaverblad begroot

op ƒ 597,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president

Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Heemskerk,

Herrmann, Fleers en Kop, en in het openbaar uitgesproken

door de raadsheer Heemskerk op 17 december 1999