Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3867

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34650
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 1, geldigheid: 1999-08-24
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 3, geldigheid: 1999-08-24
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 3, geldigheid: 1999-08-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/385
FED 1999/550
WFR 1999/1122, 1
V-N 1999/46.26

Uitspraak

34650

24 augustus 1999

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 3 april 1998 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, aanslagnummer 001, opgelegd ten bedrage van f 20.624,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof dat deze uitspraak alsmede de naheffingsaanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Op 22 juli 1996 maakte belanghebbende gebruik van de weg in Nederland met een hier te lande anders dan als personenauto geregistreerde auto van het merk Landrover, type Discovery TDI commercial (hierna: de auto). Op de laadvloer bevond zich een houten bak die met twee schroefbouten aan de opstaande rand van de laadvloer achter de (voor)stoelen was bevestigd. In de bak was een kinderzitje geplaatst, dat met beugels en schroeven aan de bodem van de bak was vastgemaakt.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of de auto ten gevolge van de plaatsing van de houten bak met daarin het kinderzitje in een zodanige staat is gebracht dat het een personenauto is als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 1996; hierna: de Wet). Niet in geschil is dat, indien deze vraag, overeenkomstig het standpunt van belanghebbende, ontkennend moet worden beantwoord, de auto een bestelauto is als bedoeld in artikel 3, lid 3, van de Wet.

3.3. Artikel 1, lid 3, van de Wet luidt - voorzover te dezen van belang - als volgt:

"Ingeval een geregistreerd ander motorrijtuig dan een personenauto in een zodanige staat wordt gebracht dat het een personenauto is, is belasting verschuldigd ter zake van de registratie als personenauto dan wel, indien geen nieuw kenteken wordt opgegeven, ter zake van de aanvang van het gebruik als personenauto in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.".

Met ingang van 1 januari 1994 luidt artikel 3, lid 1, van de Wet - voorzover te dezen van belang - als volgt:

"Onder personenauto wordt in deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen verstaan een motorrijtuig op drie of meer wielen, zulks met uitzondering van:

(...)

b. bestelauto’s; en

(...).".

Artikel 3, lid 3, van de Wet luidt, voorzover te dezen van belang:

"Onder bestelauto wordt verstaan een motorrijtuig met een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer en die (...).".

3.4. Uitgaande van het voorgaande heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat het voor de beantwoording van de hiervóór in 3.2 vermelde vraag enkel gaat om de vraag of de auto door de plaatsing van het kinderzitje niet meer kon worden aangemerkt als een bestelauto in de zin van artikel 3, lid 3, van de Wet.

Het Hof heeft voorts geoordeeld: dat de plaatsing van het kinderzitje op de hiervóór in 3.1 vermelde wijze niet meebrengt dat geen sprake meer was van een vlakke laadvloer; dat het uit de wijze van bevestiging aan de auto, met twee schroefbouten, afleidt dat het kinderzitje op eenvoudige wijze, door middel van het losdraaien van de schroefbouten, weer kon worden verwijderd; dat derhalve niet kan worden gezegd dat door de plaatsing van het kinderzitje de laadruimte niet meer uitsluitend laadruimte was; dat derhalve het gelijk aan de zijde van belanghebbende is.

Tegen deze oordelen komt het middel op.

3.5. Het middel faalt. Anders dan waarvan het middel uitgaat, brengt de omstandigheid dat een deel van de laadvloer in beslag wordt genomen door een in de laadruimte geplaatste houten bak welke door middel van twee schroefbouten is bevestigd aan de opstaande rand van de laadvloer, achter de stoelen, en waarin een kinderzitje is bevestigd, niet mee dat de laadruimte van het motorrijtuig niet in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 24 augustus 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Hammerstein en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

van de Staatsscretaris van Financiën wordt terzake van dit beroep een recht geheven van f 340,--