Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3856

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34845
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/54 met annotatie van M.E. VAN HILTEN
FED 1999/768
WFR 1999/1787
V-N 2000/4.22 met annotatie van Redactie
NTFR 2000/42 met annotatie van dr. A. Dongen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 34845

15 december 1999

TVW

gewezen op het beroep in cassatie van de stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 september 1998 betreffende na te melden beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak januari 1995 tot een bedrag van f 23.627.566,-- is door de Inspecteur bij beschikking van 29 juni 1995 afgewezen, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep gegrond heeft verklaard, de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de daarbij gehandhaafde beschikking heeft vernietigd, en teruggaaf van omzetbelasting heeft verleend tot een bedrag van f 16.038.272,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is een instelling die op de voet van de Woningwet is toegelaten werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting. Het merendeel van de door belanghebbende geëxploiteerde woningen is gebouwd op grond die belanghebbende in erfpacht heeft verkregen van de gemeente Q en enkele andere gemeenten.

Belanghebbende heeft in de periode 1 oktober 1994 tot en met 31 maart 1995 ten aanzien van een aantal woningen het recht van ondererfpacht gevestigd ten behoeve van de Vereniging B te Q. Voorzover de woningen buiten de gemeente Q zijn gelegen is het recht van ondererfpacht uiteindelijk gevestigd ten behoeve van C te Q.

Belanghebbende en Vereniging B hebben voor de vestiging van de rechten van ondererfpacht ten aanzien van de woningen die ten tijde van de vestiging langer dan twee jaar geleden voor het eerst in gebruik genomen waren, de Inspecteur op de voet van artikel 11, lid 1, onderdeel a, 2o, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst tot 31 maart 1995, 18.00 uur; hierna: de Wet) verzocht de vrijstelling van omzetbelasting op de vestiging niet van toepassing te doen zijn. De Inspecteur heeft op dit verzoek nog geen besluit genomen. In de gevallen waarin het recht van ondererfpacht uiteindelijk is gevestigd ten behoeve van C, is door C niet mede een verzoek als hiervóór bedoeld gedaan.

Belanghebbende heeft de vestiging van de onderhavige rechten van ondererfpacht als niet van omzetbelasting vrijgestelde leveringen van goederen aangemerkt en heeft te dier zake f 9.106.303,-- aan verschuldigde omzetbelasting in de aangifte over het tijdvak januari 1995 begrepen. Voorts heeft belanghebbende daarvan uitgaande de aftrek van de voorbelasting op de desbetreffende onroerende zaken herzien op de voet van artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Te dier zake is een bedrag van f 33.156.497,-- aan aftrekbare voorbelasting in evenbedoelde aangifte opgenomen.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld - voorzover in cassatie van belang - dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat artikel 3, lid 3, van de Wet, welk artikel een afwijking vormt van de in artikel 3, lid 1, vervatte hoofdregel, van toepassing is. Het Hof heeft vervolgens niet aannemelijk geacht dat Vereniging B zich jegens C heeft verplicht tot levering van een goed in de zin van artikel 3, lid 3, van de Wet. Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd:

- dat in artikel I van de notariële akte van vestiging van ondererfpacht vermeld wordt dat Vereniging B haar recht op levering van het ondererfpachtsrecht heeft overgedragen aan C en dat zulks is geschied onder dezelfde voorwaarden en voor dezelfde duur als de economische levering aan Vereniging B;

- dat belanghebbende met betrekking tot de gang van zaken na het sluiten van de overeenkomst tot vestiging van het recht van ondererfpacht tussen belanghebbende en B Vereniging heeft gesteld dat de vestiging van de ondererfpacht ten behoeve van Vereniging B niet mogelijk bleek omdat de gemeente zich daartegen met een beroep op de statutaire doelstelling van Vereniging B verzette; dat zulks tot gevolg had dat moest worden gekozen tussen terugdraaien van de overeenkomst of het zoeken naar een andere ondererfpachter; dat belanghebbende en Vereniging B na onderling overleg beiden contact hebben gezocht met C en dat C zich bereid verklaarde de ondererfpacht over te nemen en voorts bereid was het bedrag van de door Vereniging B verschuldigde omzetbelasting aan haar te vergoeden;

- dat belanghebbende voorts ter zitting heeft verklaard dat de door Vereniging B met belanghebbende gesloten overeenkomsten tot verhuur zijn uitgevoerd door C en belanghebbende en dat daarvan geen enkele schriftelijke vastlegging voorhanden is. Het Hof heeft uit deze weergave van belanghebbende van de gebeurtenissen afgeleid dat belanghebbende en Vereniging B tezamen tot overeenstemming zijn gekomen met C omtrent de overname van de rechten en verplichtingen uit de tussen belanghebbende en Vereniging B gesloten overeenkomst door C. Naar ’s Hofs oordeel past daarin op zichzelf ook de vergoeding door C aan Vereniging B van de door laatstgenoemde voldane omzetbelasting en kan aan artikel I van de notariële akte van vestiging van ondererfpacht niet het tegendeel worden ontleend, aangezien ook daarin gesproken wordt van de overdracht van een recht op levering.

3.3. Het middel klaagt over onbegrijpelijkheid van ’s Hofs oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat Vereniging B zich jegens C heeft verplicht tot levering van een goed als bedoeld in artikel 3, lid 3, van de Wet. Het voert aan dat in de notariële akte van vestiging van ondererfpacht gesproken wordt van een overdracht van een recht op levering door Vereniging B aan C en dat door C aan Vereniging B de door haar voldane omzetbelasting is vergoed, hetgeen erop duidt dat betrokkenen de transacties hebben beschouwd als opvolgende leveringen.

Het middel kan niet tot cassatie leiden, aangezien ’s Hofs oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden uitlegging van de notariële akte van de vestiging van het recht van ondererfpacht, welke uitlegging in het licht van de door belanghebbende gegeven toelichting niet onbegrijpelijk is.

Met de omstandigheid dat C aan Vereniging B een vergoeding heeft betaald voor reeds voldane omzetbelasting, is niet onverenigbaar het oordeel dat niet aannemelijk is dat Vereniging B zich jegens C heeft verplicht tot levering van een goed in de zin van artikel 3, lid 3, van de Wet. Dat oordeel is ook overigens niet onbegrijpelijk, nu 's Hofs veronderstelling omtrent de grond voor die vergoeding ook kan opgaan indien aan de voldoening van de omzetbelasting geen juiste opvatting met betrekking tot de verschuldigheid ervan ten grondslag heeft gelegen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 15 december 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren De Moor, Van Vliet, Hammerstein en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.