Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3851

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35020
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/115 met annotatie van P.H.J. Essers
FED 1999/773
WFR 1999/1788, 2
V-N 2000/2.12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35020

15 december 1999

TVW

gewezen op het beroep in cassatie van de naamloze vennootschap N.V. X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 8 december 1998 betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 41.850.747,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van f 39.229.781,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbendes kernactiviteit bestaat uit de productie van en de handel in gassen en aanverwante artikelen. Belanghebbende levert verschillende soorten gassen aan haar klanten en gebruikt daarvoor verschillende soorten gascilinders. Het gas wordt opgeslagen in de cilinder aan de klant geleverd. De cilinders blijven eigendom van belanghebbende. Als een cilinder leeg is, wordt deze opgehaald - en tegelijkertijd vervangen door een volle cilinder - en in een bedrijfsruimte van belanghebbende opnieuw met gas gevuld.

De cilinders hebben een levensduur van 15 à 20 jaar. De kostprijs van de cilinders varieert van f 100,-- tot f 600,-- per stuk.

De cilinders worden in partijen aangeschaft, doch zijn vóór ingebruikneming via een code geïndividualiseerd: elke cilinder heeft zijn eigen nummer. Van 5 à 10% van de cilinders wordt met de computer bijgehouden waar de desbetreffende cilinders zich bevinden. Van de overige cilinders worden de bewegingen uit kostenoverwegingen niet individueel geregistreerd. Wel wordt geregistreerd hoeveel cilinders van een bepaalde soort aan een klant geleverd zijn. Zoekgeraakte (niet geretourneerde) cilinders worden zo mogelijk aan de desbetreffende klant in rekening gebracht.

De Inspecteur heeft de bij wege van aanvulling op de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 1992 geclaimde afschrijving ineens (leidend tot een extra afschrijving van f 5.504.019,--) van de aanschaffingskosten van de in 1992 gekochte gascilinders, niet geaccepteerd.

3.2. Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende dat de gascilinders als voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kunnen worden aangemerkt en geen complex vormen, zodat, gelet op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 25 juli 1995, nr. DB95/2229U, Vakstudie Nieuws 1995, blz. 2810, punt 12 (hierna: het Besluit) de aanschaffingskosten daarvan ineens kunnen worden afgeschreven, verworpen. Het Hof heeft daartoe geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van een - per cilindersoort - grote massa dooreen bruikbare en daadwerkelijk gebruikte cilinders welke partijgewijs worden aangeschaft, dat een efficiënte bedrijfsvoering zodanig gebruik als weergegeven in onderdeel 3.6 van zijn uitspraak vereist, dat de cilinders een wezenlijke functie binnen de onderneming van belanghebbende vervullen, immers als middelen ter distributie van haar gasproduct, en dat het met de aanschaf van de cilinders gemoeide investeringsbedrag voor belanghebbende zowel absoluut als relatief niet verwaarloosbaar is. Hieraan heeft het Hof de conclusie verbonden dat de onderscheiden soorten cilinders als even zo vele complexen als bedoeld in voormeld Besluit dienen te worden aangemerkt.

3.3. Het middel betoogt dat de term complex uit het Besluit anders moet worden opgevat dan het Hof blijkens zijn hiervóór in 3.2 vermelde oordelen heeft gedaan, en voert daartoe aan dat volgens het Besluit niet beoordeeld hoeft te worden of sprake is van lopende uitgaven. Het middel berust in zoverre op een verkeerde opvatting van het bepaalde in het Besluit, dat aldus moet worden uitgelegd dat - tenzij sprake is van een complex van zaken - voorwerpen waarvan de werkelijke aanschaffings- of voortbrengingskosten minder bedragen dan f 1.000,-- kunnen worden aangemerkt als voorwerpen van geringe waarde, zonder nadere beoordeling of die kosten gewoonlijk tot de lopende uitgaven van een onderneming worden gerekend. Het middel faalt derhalve in zoverre.

3.4. De feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de cilinders niet stuk voor stuk maar als partijen van gelijke voorwerpen duurzaam voor de onderneming van belanghebbende worden gebruikt. Zulks brengt mee dat het Hof terecht de onderscheiden soorten cilinders als even zo vele complexen als bedoeld in het Besluit heeft aangemerkt, wat er zij van de door het Hof gebezigde gronden. Het middel faalt derhalve ook, indien en voorzover het ook los van het hiervóór in 3.3 weergegeven betoog ertoe strekt te verdedigen dat van een complex van zaken als bedoeld in het Besluit slechts sprake is indien de zaken in functioneel opzicht met elkaar samenhangen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 15 december 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.