Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3840

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/164HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 42
Wetboek van Strafvordering 118 (oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 175
NJ 2000, 7
RvdW 1999, 197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 december 1999

Eerste Kamer

Nr. C98/164HR

FD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr A.L.Chr.M. Oomen,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: voorheen mr D. Stoutjesdijk,

thans mr G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie [..] heeft bij exploit van 27 december 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd de Staat te veroordelen om aan [eiser] schade te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 27 november 1996 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 19 februari 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan, deels veronderstellenderwijs, van het volgende worden uitgegaan:

(i) In januari 1992 is onder [eiser] een hoeveelheid sie-raden, afkomstig van de eerder failliet verklaarde juwelier Van Leenen, strafrechtelijk in beslag genomen. Het ging hier om sieraden waarop ten behoeve van een zoon van [eiser], in verband met een geldlening aan Van Leenen, een pandrecht was ge-vestigd en waarbij ook [eiser] zelf in zoverre be-lang had, dat hij de aldus uitge-leende gelden aan zijn zoon had verstrekt.

(ii) Nog diezelfde maand heeft de officier van just-tie bedoelde sieraden aan de curator in het faillissement van Van Leenen afgegeven zonder zijn voor-nemen daartoe overeenkomstig de bepa-ling van art. 118 lid 3 (oud) Sv vooraf aan [eiser] te hebben medege-deeld.

(iii) Nadat de officier van justitie alsnog een der-gelijke mededeling aan [eiser] had gedaan en [eiser] op de voet van de hiervóór onder (ii) genoemde bepaling een klaagschrift daar-te-gen had ingediend, heeft de rechtbank te ’s-Graven-ha-ge bij beschikking van 8 januari 1993 dat klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave van de sieraden aan [eiser] gelast.

(iv) De officier van justitie heeft aan deze last tot teruggave niet voldaan omdat de hiervóór onder (ii) genoemde curator, met een beroep op nietigheid van de transacties tussen [eiser] en diens zoon enerzijds en Van Leenen anderzijds (art. 42 F.), daaraan niet wilde meewerken.

3.2 In de onderhavige zaak heeft [eiser], voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd de Staat op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) te veroordelen tot vergoeding van zijn schade, bestaande uit het verlies van de hier bedoelde sieraden en de daarmee verband houdende advocaat-kosten.

3.3 Het Hof heeft deze vordering niet toewijsbaar geoordeeld en heeft dit oordeel, kort samengevat en voorzover in cassatie van belang, als volgt gemotiveerd. Het heeft vooropgesteld dat de curator in het faillis-se-ment van Van Leenen op deugdelijke gronden de nietigheid van de transacties tussen [eiser] en diens zoon enerzijds en Van Leenen anderzijds had ingeroepen en dat dit meebracht dat [eiser] noch zijn zoon rechtsgeldig aanspraak kon maken op de betrokken sieraden en, als gevolg daarvan, dat [eiser] door de weigering of onmacht van de Staat om aan zijn ver-zoek of vordering tot afgifte daarvan te voldoen, geen schade kan hebben geleden. Tegen deze achtergrond en in verband daarmee was het Hof voorts van oordeel dat de Staat, door het niet te-rug-geven van de sieraden aan [eiser], jegens deze laatste niet onrechtmatig had gehandeld.

3.4 Voorzover het middel, dat ’s Hofs arrest uitsluitend aanvalt op het punt van de onrechtmatigheid, zich richt tegen het oordeel van het Hof dat [eiser] noch zijn zoon rechtsgeldig aanspraak kon maken op de betrokken sie-raden, faalt het. Dit oordeel is, gelet op de door het Hof aan-ge-nomen en door [eiser] niet bestreden nie-tig-heid van de transacties tussen [eiser] en diens zoon ener-zijds en Van Leenen anderzijds, niet in strijd met enige rechtsregel en is voor het overige feitelijk en niet on-be-grijpelijk.

3.5 Voorzover het middel voorts erover klaagt dat het Hof ten onrechte niet als onrechtmatig heeft aangemerkt dat de officier van justitie de omstreden sieraden aan de curator van Van Leenen heeft afgegeven zonder zijn voor-nemen daartoe over-een-komstig de bepaling van art. 118 lid 3 (oud) Sv vooraf aan [eiser] te hebben medegedeeld, is het evenwel gegrond, nu aldus een in het belang van [eiser] gestelde wettelijke bepaling door de officier van justitie werd overtreden en dit een onrechtmatige daad tegenover [eiser] oplevert (HR 7 mei 1993, nr. 14981, NJ 1993, 657).

[eiser] heeft echter bij deze klacht geen belang. Gelet op het hier-vóór in 3.3 en 3.4 overwogene, moet immers in cassatie worden aangenomen dat [eiser], omdat hijzelf noch zijn zoon rechtsgeldig aanspraak kon maken op de betrokken sieraden, door de weigering of onmacht van de Staat om aan zijn verzoek of vordering tot afgif-te daarvan te voldoen, geen schade kan hebben geleden. Het middel faalt dus ook op dit punt.

3.6 Het hiervóór in de tweede alinea van 3.5 overwogene brengt mee dat het middel voor het overige eveneens faalt. Daarbij verdient nog opmerking dat het beroep van [eiser] op schending van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM ook nog hierop afstuit, dat een betoog van deze strekking in de feitelijke instanties niet is ge-voerd en dat een zodanig be-toog niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan komen, aangezien dit een on-der-zoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 597,20 aan verschot-ten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren Neleman, als voorzitter, Jansen en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 10 december 1999.