Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3829

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-1999
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
34217
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3829
Ontnemingsprocedure: ECLI:NL:RBAMS:2006:AX6258
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ondernemingsrecht 1999, 101 met annotatie van H.G.M. Dijstelbloem
BNB 2000/111 met annotatie van J.A.G. van der Geld
FED 1999/733
FED 2000/65
WFR 1999/1720
V-N 1999/57.21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 34217

1 december 1990

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 februari 1998 betreffende na te melden op de voet van artikel 40, lid 4, in verbinding met artikel 14b, lid 6, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1996; hierna: de Wet) ten aanzien van X te Z gegeven beschikking.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht te bevestigen dat de verwerving door een op te richten vennootschap van alle, door hem gehouden, aandelen in A B.V. tegen uitgifte van aandelen door die vennootschap een aandelenfusie in de zin van artikel 14b van de Wet is. De Inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking afgewezen, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat de bestreden beschikking heeft vernietigd en heeft besloten dat sprake is van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 14b, lid 2, onderdeel a, van de Wet. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 30 juni 1999 geconcludeerd tot het voorleggen van een vraag van Europees recht aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is advocaat. Voorheen verrichtte hij zijn werkzaamheden in dienstbetrekking bij A B.V. Van die vennootschap was hij directeur en enig aandeelhouder. A B.V. was lid van een maatschap van advocaten, notarissen en belastingadviseurs (hierna: de maatschap).

De ondernemingsactiviteiten van A B.V. worden thans gedreven voor rekening van de op 28 februari 1997 opgerichte dochtervennootschap C B.V. Het aandeel in de maatschap is ten titel van storting op aandelen per 1 januari 1997 ingebracht in deze vennootschap. Bij statutenwijziging van 28 februari 1997 is de naam van A B.V. gewijzigd in D B.V.

Belanghebbende wenst door middel van een aandelenruil zijn aandelen D B.V. over te dragen aan een op te richten houdstervennootschap (hierna: de aandelenruil). Aangezien de aandelen D B.V. een aanmerkelijk belang vertegenwoordigen, zou de aandelenruil aanleiding geven tot heffing van inkomstenbelasting. Ter voorkoming hiervan heeft belanghebbende een beroep gedaan op de vrijstelling voor aandelenfusies als bedoeld in artikel 40, lid 1, in verbinding met artikel 14b, lid 2, onderdeel a, van de Wet (hierna: de fusiefaciliteit).

3.2. Het Hof heeft onderzocht of zich hier een geval van belastingfraude of -ontgaan voordoet, die grond oplevert om belanghebbende de fusiefaciliteit te ontzeggen. Het Hof heeft geoordeeld: dat de Inspecteur erop heeft gewezen dat één van de hoofddoelen van de herstructurering is om uitstel van belastingheffing te creëren; dat het deze stelling niet begrijpt aangezien het uitstel van belastingheffing juist het wezen van de fusiefaciliteit uitmaakt; dat een herstructurering, ingegeven door het doel om de beroepspraktijk te beschermen tegen excessieve schadeclaims, berust op een solide zakelijk motief; dat de Inspecteur derhalve niet is geslaagd in het leveren van het van hem te verlangen bewijs dat sprake is van belastingfraude of -ontgaan. Het Hof heeft aan deze oordelen de gevolgtrekking verbonden dat de aandelenruil voldoet aan de eisen van artikel 14b, lid 2, onderdeel a, van de Wet. Tegen voormelde oordelen keert zich het middel.

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 4 februari 1998, nr. 30074, BNB 1998/176, brengt mee dat ook zonder de in artikel 11, lid 1, letter a, tweede zinsdeel, van de Richtlijn 90/434/EEG, Pb. EG L2555/1, bedoelde zakelijke overwegingen voor de aandelenruil van de fusiefaciliteit gebruik gemaakt kan worden, mits belastingfraude of -ontwijking maar niet het hoofddoel of een der hoofddoelen van de aandelenruil is. Derhalve moest door het Hof worden onderzocht of de aandelenruil ook zou worden uitgevoerd, indien het niet-fiscale doel niet zou bestaan.

3.4. In 's Hofs hiervóór in 3.2 weergegeven oordelen ligt besloten het oordeel, dat de aandelenruil is ingegeven door de wens te voorkomen dat D B.V. nog met vrucht aansprakelijk kan worden gesteld voor de praktijkuitoefening tot de datum van inbreng in C B.V., zulks met gebruikmaking van de mogelijkheden tot belastinguitstel die een gefacilieerde aandelenruil biedt, waaronder die met betrekking tot de uitkering van de winstreserves van D B.V. aan de op te richten vennootschap. Het op grond hiervan door het Hof gegeven oordeel dat belastingfraude of -ontwijking niet het hoofddoel of een der hoofddoelen van de aandelenruil is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 1 december 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een recht geheven van ƒ 340,--.