Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3820

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/147HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3820
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet tarieven gezondheidszorg 1
Wet tarieven gezondheidszorg 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 163
NJ 2000, 119
RZA 2000, 26
RvdW 1999, 191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 december 1999

Eerste Kamer

Nr. C98/147HR

FD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de stichting STICHTING ALGEMEEN CHRISTELIJK ZIEKENHUIS GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr H.J. Bronkhorst,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie [..] heeft bij exploit van 2 maart 1995 eiseres tot cassatie - verder te noemen: het Martiniziekenhuis - gedagvaard voor de Kantonrechter te Groningen en gevorderd het Martiniziekenhuis te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 2.690,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 185,-- vanaf 11 januari 1995 en over ƒ 2.505,-- vanaf de dag van de dagvaarding.

Het Martiniziekenhuis heeft de vordering bestreden.

Na een mondelinge behandeling ter terechtzitting van 6 februari 1996 heeft de Kantonrechter bij vonnis van 6 juni 1996 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Groningen.

Bij vonnis van 30 januari 1998 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter vernietigd, het Martiniziekenhuis veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 185,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 1995, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft het Martiniziekenhuis beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden en tot veroordeling van [verweerder] in de kosten.

De advocaat van [verweerder] heeft bij brief van 23 september 1999 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 De vader van [verweerder] is op 7 november 1994 overleden in het Martiniziekenhuis. Direct na het overlijden zijn in opdracht van het Martiniziekenhuis door Cura Mortu Orum B.V. (verder: CMO) aan het stoffelijk overschot verzorgende werkzaamheden verricht.

Bij nota van 14 december 1994 heeft het Martiniziekenhuis aan [verweerder] en diens broer - de enige erfgenamen - een bedrag van ƒ 185,-- in rekening gebracht voor deze werkzaamheden, in de nota aangeduid als ‘mortuariumwerkzaamheden’. [verweerder] heeft de nota op 10 januari 1995 betaald.

In de onderhavige procedure vordert [verweerder], voorzover nodig gemachtigd door zijn broer, het door hem betaalde bedrag van ƒ 185,-- terug wegens onverschuldigde betaling.

De Kantonrechter heeft de vordering afgewezen, de Rechtbank heeft haar toegewezen.

3.2 De Rechtbank heeft in de eerste plaats geoordeeld dat indien door (CMO in opdracht van) het Martiniziekenhuis aan het stoffelijk overschot van de vader van [verweerder] meer werkzaamheden zijn verricht dan de noodzakelijke laatste verzorging, die meerdere werkzaamheden op het terrein van de uitvaartverzorging vallen. Voorzover het bedrag van ƒ 185,-- betrekking heeft op werkzaamheden die niet tot de noodzakelijke laatste verzorging behoren, acht de Rechtbank het bedrag onverschuldigd, omdat zowel een contractuele grondslag als een grondslag in zaakwaarneming ontbreekt. Deze oordelen zijn in cassatie niet bestreden.

Ook voor zover het bedrag van ƒ 185,-- betrekking heeft op de noodzakelijke laatste verzorging, acht de Rechtbank het onverschuldigd. Naar het oordeel van de Rechtbank is het te dier zake in rekening gebrachte bedrag aan te merken als een tarief in de zin van de Wet tarieven gezondheidszorg (WTG), welk begrip in art. 1 lid 1 onder h wordt omschreven als “prijs voor een prestatie of een geheel van prestaties, door een orgaan voor gezondheidszorg geleverd”. Nu dit tarief niet door het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (COTG) is goedgekeurd, valt het onder het verbod van art. 2 om een tarief in rekening te brengen, dat niet overeenkomstig die wet is goedgekeurd of vastgesteld. Tegen deze oordelen is middel 1 gericht.

Aangezien het voor de litigieuze werkzaamheden in rekening gebrachte bedrag zowel onverschuldigd is voorzover het betrekking heeft op de noodzakelijke laatste verzorging als voorzover het betrekking heeft op verdergaande werkzaamheden, heeft de Rechtbank zich onthouden van een oordeel over de vraag in hoeverre de in rekening gebrachte werkzaamheden tot de ene of de andere categorie behoren.

3.3 Op grond van het stelsel van de WTG en de strekking van deze wet zoals deze blijkt uit de considerans, waarin (onder meer) wordt overwogen “dat het wenselijk is regelen te stellen ter bevordering van een evenwichtig stelsel van tarieven op het gebied van de gezondheidszorg”, moet tot uitgangspunt worden genomen dat de WTG geen betrekking heeft op prestaties buiten het gebied van de gezondheidszorg.

Het Martiniziekenhuis heeft betoogd - en dit betoog vormt kennelijk ook het uitgangspunt van middel 1 - dat prestaties, verricht na het overlijden van een patiënt, niet meer kunnen worden aangemerkt als gezondheidszorg, omdat zij niet meer kunnen leiden tot verbetering van de gezondheid van de patiënt. De ervoor in rekening gebrachte prijs valt daarom volgens het Martiniziekenhuis buiten het bereik van de WTG. Dit betoog mist goede grond voorzover het betrekking heeft op de noodzakelijke laatste verzorging.

De noodzakelijke laatste verzorging na overlijden van een patiënt in een ziekenhuis behoort tot de prestaties die het ziekenhuis verricht in de uitoefening van het bedrijf dat hem kwalificeert als orgaan voor gezondheidszorg. Het gaat hier om werkzaamheden waartoe het ziekenhuis op grond van de tussen het ziekenhuis en de patiënt gesloten overeenkomst ook zonder uitdrukkelijke bepaling in die overeenkomst gehouden is. Derhalve moet worden aangenomen dat de WTG mede betrekking heeft op (de prijs voor) deze werkzaamheden. In cassatie is niet bestreden dat de door het Martiniziekenhuis voor de ‘mortuariumwerkzaamheden’ in rekening gebrachte prijs niet door het COTG is goedgekeurd of vastgesteld.

De door middel 1 bestreden oordelen zijn derhalve juist, zodat het middel tevergeefs is voorgesteld.

3.4 De Rechtbank heeft voorts nog overwogen dat zij bovendien van oordeel is dat de noodzakelijke laatste verzorging voortvloeit uit de door de overledene met het Martiniziekenhuis gesloten geneeskundige-behandelings-overeenkomst en dat de daarmee gemoeide kosten door het Martiniziekenhuis aan [verweerder] of diens verzekeraar reeds in rekening worden gebracht via wel door het COTG goedgekeurde tarieven voor door het Martiniziekenhuis geleverde prestaties. Dat in die tarieven een vergoeding voor deze kosten opgenomen is, blijkt, aldus de Rechtbank, uit een door [verweerder] overgelegde brief van het COTG van 23 juni 1994.

Het gaat hier om overwegingen ten overvloede, die de beslissing van de Rechtbank niet dragen. Het ertegen gerichte middel 2 kan derhalve bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

3.5 Het in 3.3 en 3.4 overwogene brengt mee dat middel 3, dat geen zelfstandige betekenis heeft, eveneens faalt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt het Martiniziekenhuis in de kosten van het geding in cassa-tie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 597,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Herrmann, Van der Putt-Lauwers en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 3 december 1999.