Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3815

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33594
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2000, 21170
Belastingblad 2000/415
BNB 2000/38 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
FED 2000/14 met annotatie van Redactie
FED 1999/743
WFR 1999/1751
V-N 1999/57.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 33.594

8 december 1999

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te‘s-Gravenhage van 26 juni 1997 op het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de tweede meervoudige belastingkamer van dat hof van 12 september 1996 betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Geding voor het Hof

Bij beschikking van 12 september 1996 heeft de Voorzitter van voormelde belastingkamer belanghebbende in zijn beroep betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 niet-ontvankelijk verklaard.

Vervolgens heeft het Hof het verzet van belanghebbende tegen die beschikking ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

Belanghebbende heeft het beroep doen toelichten door mr. E.J.M. Rosier, advocaat te ‘s-Gravenhage.

3. Beoordeling van de klachten en ambtshalve aanwezig bevonden grond tot cassatie

3.1. Het Hof heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. Het heeft hiertoe redengevend geoordeeld dat belanghebbende tegen de betrokken aanslag geen bezwaarschrift heeft ingediend. In cassatie betoogt belanghebbende dat hij, naar hij ook voor het Hof heeft gesteld, na de indiening van zijn aangiftebiljet voor het jaar 1994, de Inspecteur op 24 juli 1995 een aanvulling op die aangifte heeft doen toekomen, met welke aanvulling bij de kennelijk ongeveer gelijktijdig vastgestelde aanslag geen rekening is gehouden. In verband daarmee klaagt belanghebbende erover dat het Hof, gelet op de arresten HR 2 december 1992, nrs. 27590 en 27896, BNB 1993/91 en BNB 1993/92, en op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 11 december 1996, nr. DB96/12/06, Infobulletin 97/75, die aanvulling ten onrechte niet als een bezwaarschrift heeft aangemerkt.

3.2. Deze klacht en de overige klachten behoeven geen bespreking, nu ’s Hofs uitspraak reeds op grond van hetgeen hierna zal worden overwogen, niet in stand kan blijven. Nu het Hof heeft vastgesteld dat het daar binnengekomen geschrift bezwaren bevatte tegen de onderhavige aanslag, terwijl geen voor beroep vatbare uitspraak was gedaan, had het ingevolge artikel 6:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Wet) moeten bepalen dat het geschrift zo spoedig mogelijk als bezwaarschrift zou worden doorgezonden aan de betrokken eenheid van de belastingdienst, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender. Die verplichting is niet vervallen doordat de griffier van het Hof blijkens zijn bij de stukken gevoegde brief van 22 november 1995 belanghebbende heeft gewezen op de regel van artikel 26, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen noch doordat belanghebbende in antwoord daarop heeft bericht zijn brief toch als beroepschrift aangemerkt te willen zien. Indien de hier bedoelde werkwijze zou zijn gevolgd, had de bevoegde inspecteur het geschrift als bezwaarschrift, of, indien de door belanghebbende gestelde en in 3.1 weergegeven gang van zaken zich heeft voorgedaan, als een aanvulling op een reeds gemaakt bezwaar, in behandeling moeten nemen.

De Hoge Raad zal, doende wat het Hof had behoren te doen, bepalen dat het geschrift alsnog wordt doorgezonden aan de betrokken eenheid van de belastingdienst.

3.3. Indien de door belanghebbende gestelde en in 3.1 weergegeven gang van zaken zich niet heeft voorgedaan, heeft het volgende te gelden. Indien een bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, en zich niet een van de in artikel 6:15, lid 3, van de Wet genoemde gevallen voordoet waarin het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, voorziet de Wet niet in de gevolgen van een verzuim van het onbevoegde orgaan het geschrift zo spoedig mogelijk door te zenden. Een dergelijk verzuim mag echter niet voor rekening van de indiener van het geschrift komen. Indien het geschrift binnen twee weken wordt doorgezonden, kan nog juist worden gesproken van een zo spoedig mogelijke doorzending. In overeenstemming hiermee moet bij doorzending op een later tijdstip het geschrift geacht worden te zijn ingediend bij het bevoegde orgaan twee weken na binnenkomst bij het onbevoegde orgaan.

In dit geval is het aanslagbiljet gedagtekend 30 augustus 1995 en is het geschrift op 1 november 1995 bij het Hof binnengekomen. Daaruit volgt dat het als bezwaarschrift ook met inachtneming van het hiervoor overwogene niet tijdig is ingediend, zodat de Inspecteur ingevolge artikel 6:11 van de Wet de vraag dient te beantwoorden of desondanks redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

3.4. Indien de door belanghebbende gestelde en in 3.1 weergegeven gang van zaken zich wel heeft voorgedaan, dient de Inspecteur te handelen overeenkomstig de in die rechtsoverweging vermelde arresten.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Voor vergoeding van door belanghebbende gemaakte kosten voor de procedure voor het Hof acht de Hoge Raad geen termen aanwezig.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Hof;

- bepaalt dat het geschrift van 30 oktober 1995 wordt doorgezonden aan de belastingdienst/eenheid particulieren P;

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroeps-matig verleende rechtsbijstand, te voldoen aan de griffier van de Hoge Raad;

- gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het ter zake van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 90,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling voor het Hof ten bedrage van f 40,--, derhalve in totaal f 130,--.

Dit arrest is op 8 december 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Korthals Altes, Zuurmond, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.