Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3812

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34869
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2000, 21160
BNB 2000/41 met annotatie van J.W. Zwemmer
FED 1999/746
WFR 1999/1752, 2
V-N 1999/57.30 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 34.869

8 december 1999

gewezen op het beroep in cassatie van de erven van X tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 8 oktober 1998 betreffende de ten name van X opgelegde navorderingsaanslag in het recht van successie terzake van zijn verkrijging uit de nala-tenschap van A, overleden op 23 december 1976.

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Ten name van X is ter zake van bovenvermelde verkrijging een navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van f 2.585.516,--, welke aan-slag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend, waarbij hij zich met betrekking tot het tweede middel heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het Hof heeft blijkens zijn overwegingen de in onderdeel 3.1 van zijn uitspraak geciteerde bepalingen uit het testament van A aldus uitgelegd, dat op grond daarvan X en zijn echtgenote in 1976 bij het overlijden van A ieder hebben verkregen het vruchtgebruik van de onverdeelde helft van het aan hun kinderen gelegateerde vermogen, en voorts ieder het vruchtgebruik van de andere onverdeelde helft daarvan onder de opschortende voorwaarde van overleving van de echtgenoot. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk en geen nadere motivering behoevende in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hiervan uitgaande heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat voor X in 1990 met het overlijden van zijn echtgenote de evenvermelde opschortende voorwaarde in vervulling is gegaan, zodat hij toen bij opvolging het aanvankelijk door zijn echtgenote verkregen vruchtgebruik heeft verkregen uit de nalatenschap van A. Het eerste middel faalt derhalve.

3.2 Het tweede middel bestrijdt ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur door aanvankelijk de in de memorie van aangifte opgenomen berekeningswijze te volgen bij belanghebbenden niet het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat ter zake van de onderhavige verkrijging geen recht van successie meer zou worden geheven. Het tweede middel faalt evenzeer, nu dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en het overigens als van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd in cassatie moet worden geëerbiedigd.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 8 december 1999, vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het bij het beroep in cassatie ten onrechte niet verrekende recht dat is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak van het Hof, ten bedrage van f 150,--, wordt door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.