Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3809

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-1999
Datum publicatie
03-12-2001
Zaaknummer
35066
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/43
FED 1999/749
WFR 1999/1753, 2
V-N 1999/57.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35.066

8 december 1999

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 januari 1999 betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 36.549,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende ontving in 1996 een WAO-uitkering ter grootte van f 43.028,--. Daarnaast oefende zij het zelfstandige beroep uit van beëdigd taxateur roerende zaken, ter zake waarvan belanghebbende in haar aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1996 een winst verantwoordde van f 4.632,--. Voor het uitoefenen van haar zelfstandige beroep maakte belanghebbende gebruik van een werkkamer in haar eigen woning. Zij bracht in 1996 ter zake van het gebruik van de werkkamer een huur van f 4.800,-- ten laste van de winst en voorts een bedrag voor verzekering van de inboedel. Deze huur werd verder in het aangiftebiljet aangegeven als inkomsten uit vermogen.

De gemachtigde van belanghebbende heeft in december 1995 voor het jaar 1994 een “ambtshalve” bezwaarschrift, kennelijk is bedoeld een verzoek om ambtshalve vermindering, ingediend en daarin op dezelfde wijze als voor 1996 melding gemaakt van aftrek wegens het dagelijkse gebruik van de werkkamer “voor het uitschrijven van taxatierapporten en ook het doen van expertises”. De Inspecteur heeft dit bezwaarschrift beoordeeld en een nieuwe opstelling van het belastbare inkomen gemaakt, en is daarbij gedeeltelijk afgeweken van het bezwaarschrift. Op het punt van de werkkamer heeft de Inspecteur het bezwaarschrift geheel gehonoreerd. De Inspecteur heeft de aangifte over 1995, die op dit punt identiek was aan de opstelling in 1994, gevolgd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat tussen partijen niet in geschil is dat artikel 8b, lid 1, letter a, sub 1°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1996; hierna: de Wet) aftrek van de kosten van de werkkamer verhindert en dat nog slechts in geschil is of de Inspecteur het rechtens te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat niettemin de aangifte op dit punt gevolgd zou worden. Voorzover de klachten zich tegen dit oordeel richten, falen zij. De vaststelling van de omvang van het geschil is voorbehouden aan het Hof. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur niet in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel door belanghebbendes aangifte inkomstenbelasting/premie volksverze-keringen 1996 te corrigeren op het punt van de kantoorruimte. Het Hof heeft daartoe redengevend geoordeeld dat belanghebbende gebruik maakte van de diensten van een beroepsmatig handelende gemachtigde en dat - naar het oordeel van het Hof - de gemachtigde had kunnen en moeten begrijpen dat, gelet op de omvang van de WAO-uitkering en de genoten winst, aftrek voor een kantoorruimte in de onderhavige omstandigheden niet mogelijk was en de vermindering op grond van het bezwaarschrift derhalve ten onrechte is verleend, en tot slot, dat de kennis van de gemachtigde toegerekend kan worden aan belanghebbende.

3.4. Het Hof is echter voorbij gegaan aan de vraag of belanghebbendes gemachtigde tevens had kunnen en moeten begrijpen dat de door belanghebbende ten behoeve van haar onderneming gebruikte werkkamer als kantoorruimte in de zin van artikel 8b, lid 1, letter a, sub 1°, van de Wet werd gebruikt. Het hiervóór in 3.3 vermelde oordeel van het Hof is dan ook onvoldoende met redenen omkleed. In zoverre zijn de klachten gegrond.

3.5. De klacht dat het Hof in onderdeel 5.5 van zijn uitspraak de dotatie aan de oudedagsreserve onjuist heeft berekend, slaagt eveneens. Zoals blijkt uit onderdeel 2.1 van de uitspraak van het Hof bedraagt de in het aangiftebiljet aangegeven winst uit onderneming f 4.632,--. Het Hof is kennelijk abusievelijk van een bedrag van f 158,-- uitgegaan.

3.6. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 710,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 8 december 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Hammerstein en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.