Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3793

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-1999
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
111.648
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3793
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 260
NJ 2000, 90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 november 1999

Strafkamer

nr. 111.648

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een bij verstek gewezen

arrest van het Gerechtshof

te Arnhem van 21 augustus 1998

alsmede tegen alle op de

terechtzitting van dit Hof

gegeven beslissingen in de

strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op

[geboortejaar] 1972, zonder bekende woon- of verblijf-plaats hier te lande.

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 8 april 1997 -

de verdachte ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G.A. Dorsman, advocaat te

Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van art. 6 EVRM.

3.2. Het Hof heeft in zijn arrest het door de raadsman gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen.

"Namens verdediging wordt verweer gevoerd met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het verweer komt op het volgende neer.

Verdachte is in Nederland tot persona non grata verklaard hetgeen met zich brengt dat verdachte zonder vrijgeleide niet in Nederland wordt toegelaten. Het is normale praktijk dat het openbaar ministerie op eigen initiatief voor een dergelijk vrijgeleide zorgt. Nu het open"baar ministerie dat in deze zaak verzuimd "heeft, is verdachte niet in staat in persoon aanwezig te zijn bij de terechtzitting waar zijn zaak behandeld wordt. Deze handelwijze levert strijd op met het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Dit dient te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging.

Naar het oordeel van het hof moet dit verweer worden verworpen. Het was aan verdachte om, indien hij zijn zaak niet bij verstek afgehandeld wilde zien, zelf het initiatief te nemen toelating tot Nederland te verkrijgen en het openbaar ministerie in kennis te stellen van deze wens. Nu niet is gebleken dat verdachte enigerlei actie als vorenbedoeld heeft on-dernomen, kan van schending van het recht op een eerlijk proces geen sprake zijn. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in zijn strafvervolging".

3.3. Het verweer, de overwegingen van het Hof en het cassatiemiddel laten in het midden of de gestelde niet-toelating van de verdachte zijn grondslag vond in een aantekening in diens reis- of identificatie- papieren - als bedoeld in art. 20 Vreemdelingenwet en de art. 75 en 76 Vreemdelingenbesluit - dan wel in

een ongewenstverklaring als bedoeld in art. 21 Vreem-delingenwet.

3.4. De Vreemdelingencirculaire 1994 (30 december 1993, Stcrt. 252), deel A5, paragraaf 6.1 (aanvulling 8, januari 1994) houdt ten aanzien van de ongewenstverklaring onder meer het volgende in.

"In dringende gevallen kan de Minister van Justitie tijdelijke ontheffing verlenen van een ongewenstverklaring, bijvoorbeeld indien daartoe klemmende redenen van humanitaire aard aan"wezig zijn of teneinde de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn belangen in een "rechtszaak te bepleiten. Daarbij worden onder meer bepaalde voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst, de duur en het doel van het verblijf".

3.5. Zelfs in het geval dat de verdachte ongewenst is verklaard - een aanmerkelijk zwaardere maatregel van toezicht dan het enkele plaatsen van een aantekening in een reis- of identificatiedocument - kan de Minister van Justitie tot tijdelijke ontheffing van die maatregel besluiten. Uit de stukken kan niet blijken dat door of namens de verdachte - die steeds heeft beschikt over rechtsgeleerde bijstand - iets in het werk is gesteld om bij de daartoe bevoegde instantie toelating tot Nederland te bewerkstelligen en evenmin dat een verzoek om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting is verzocht teneinde daarbij aanwezig te kunnen zijn. Dit in aanmerking genomen heeft het Hof het verweer terecht verworpen.

3.6. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verwor-pen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Corstens en Orie, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 23 november 1999.