Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3401

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-1999
Datum publicatie
26-07-2001
Zaaknummer
11274
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 228
NJ 2000, 162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 13 november 1997 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], wonende te [woonplaats]

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft na verwijzing in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 27 april 1994 - de verdachte ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot

oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. "het medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opium-wet gegeven verbod" en 3. "het medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot drie jaren en zes maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

1.2.Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te

's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak ten aanzien van de duur van de opgelegde straf zal vernietigen en deze zal verlagen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging, omdat de strafzaak, zowel in zijn totaliteit als in de afzonderlijke fasen, de cassatiefase daarbij inbegrepen, is behandeld met overschrijding van de redelijke termijn.

3.2. De verdachte, die niet in voorlopige hechtenis verkeert, heeft op 17 november 1997 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 6 oktober 1998 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 20 april 1999 voor de eerste maal behandeld.

In aanmerking genomen:

(i) dat tussen het tijdstip waarop het cassatieberoep is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen ruim 10 maanden zijn verstreken, hetgeen ertoe heeft geleid dat de zaak eerst ter terechtzitting van de Hoge Raad heeft gediend nadat 17 maanden na het instellen van het beroep waren verstreken en

(ii) dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een tijdsverloop van ruim 10 maanden zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak in cassatie niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

3.3. De klacht is daarom in zoverre terecht voorgesteld.

3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat het tot dan toe bekende totale tijdsverloop van dien aard was dat in strijd met art. 6 EVRM de berechting niet had plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Op grond daarvan heeft het Hof een gevangenisstraf opgelegd welke zes maanden lager is dan het Hof zonder die overschrijding als passend beschouwde. Dat oordeel van het Hof geeft, ook voorzover dat inhoudt dat die overschrijding van de redelijke termijn niet behoort te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in zijn strafvervolging, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrij- pelijk. Daaraan kan worden toegevoegd dat dit niet anders wordt door 's Hofs niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende en niet onbegrijpelijke oordeel dat het tijdsverloop tussen het vonnis in eerste aanleg en de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen overschrijding van de redelijke termijn oplevert.

3.5. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na hernieuwde overschrijding van de redelijke termijn na de instelling van het onder- havige cassatieberoep behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, moet eerstgenoemd belang prevaleren, gelet op alle omstandigheden waaronder de ernst van de feiten, de aard en omvang van het onderzoek en het feit dat de zaak in acht instanties is berecht.

3.6. De gegrondheid van het middel, voorzover het de hernieuwde overschrijding van de redelijke termijn betreft, leidt daarom tot het oordeel dat aan de verdachte een lagere straf behoort te worden opgelegd dan het Hof hem voordat sprake was van hernieuwde overschrijding van die termijn heeft opgelegd.

De Hoge Raad zal, rekening houdende met de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 is vermeld en met de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, de straf verminderen als hierna onder 9 vermeld.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door het optreden van de in het verweer als criminele infiltrant aangeduide [infiltrant] tot andere handelingen is gebracht dan waarop zijn opzet van te voren was gericht.

4.2. Het oordeel van het Hof waartegen het middel zich keert is onder 5 tot en met 5.3. weergegeven in het arrest onder de aanhef "Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie III en onrechtmatig verkregen bewijs".

4.3. Anders dan het middel aanvoert, is 's Hofs oordeel niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft het desbetreffende verweer op toereikende gronden verworpen. Daaruit volgt dat het middel niet tot cassatie kan leiden.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging wegens onvoldoende controle op de inzet van [infiltrant] heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

5.2. Het Hof heeft het door de raadsman gevoerde verweer in de bestreden uitspraak onder 4 samengevat en verworpen onder de aanhef "Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie III en onrechtmatig verkregen bewijs".

5.3. In deze verwerping van het door de verdediging gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer – meer in het bijzonder in de overweging dat het gebrek aan controle geen bepalende betekenis voor de strafzaak heeft gehad - ligt als kennelijk oordeel van het Hof besloten dat het gebrek aan controle bij de inzet van [infiltrant] niet van zodanige aard is dat daardoor de belangen van de verdachte ten aanzien van zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak op grove wijze zijn veronachtzaamd.

5.4. 's Hofs oordeel dat de terughoudendheid bij het verschaffen van inlichtingen omtrent het optreden van [infiltrant] niet kan worden beschouwd als een (poging tot) bewuste misleiding van de rechter en derhalve niet tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging behoeft te leiden, is overigens niet onbegrijpelijk, waarbij de Hoge Raad met name in aanmerking neemt dat het Hof heeft overwogen dat de verklaringen van een Nederlandse en een Duitse opsporingsambtenaar en de schriftelijke rapportage van zodanige aard zijn geweest dat de rechter zich daaruit een algemeen beeld kon vormen met betrekking tot het optreden van [infiltrant]. De motiveringsklacht dienaangaande slaagt dus niet.

5.5. Het middel faalt in zijn beide onderdelen.

6. Beoordeling van het vierde middel

6.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek van de verdediging om de door de procureur-generaal geweigerde getuigen

[getuige 1] en [getuige 2] alsnog op te roepen.

6.2. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken

bevindt zich een aan de procureur-generaal bij het Hof gerichte brief van 29 mei 1997 van de toenmalige raadsman van de verdachte, welke onder meer inhoudt:

"4. Voorts dienen als getuigen te worden "gehoord mr. [getuige 2] (voorheen Officier van "Justitie te Maastricht), de heer [getuige 3] "(voorheen chef van de Regionale Recherche

"Limburg Zuid) en de heer getuige 1 (voorheen "Burgemeester van Sittard).

Toelichting:

"Voornoemd driemanschap was in de periode ""medio jaren tachtig tot en met 1994" lid van "een geheime door het Openbaar Ministerie te "Maastricht in het leven geroepen toetsingscom-"missie genaamd de "Begeleidingscommissie"".

6.3. Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 1997 houdt onder meer het volgende in:

"De raadsman voert aan:

"(...)" Ik heb de procureur-generaal voorts verzocht de "officier van justitie mr [getuige 2], de heer

"[getuige 3] en de heer [getuige 1] als getuigen "te horen. Ik verwijs naar mijn schrijven van

"29 mei 1997.

"De procureur-generaal voert aan:

"Ik heb dit verzoek afgewezen. De door de "raadsman gestelde geheime begeleidingscommissie "heeft nooit bestaan. Er is alleen een beheers"commissie geweest. Deze commissie bestond uit "de burgemeester, de heer [getuige 3] en de "hoofdofficier van justitie. Deze commissie kwam "één keer per jaar bij elkaar en nam beslissin"gen over de te verdelen gelden. Daarnaast had "de officier van justitie mr [getuige 2] natuurlijk "tijdens het onderzoek contact met het "rechercheteam.

"Door de afwijzing van het verzoek de officier "van justitie mr [getuige 2], de heer [getuige 3] "en de heer [getuige 1] als getuigen te horen kan

"de verdachte redelijkerwijs niet in zijn "verdediging worden geschaad, temeer nu inmid-"dels alle opsporingsactiviteiten aan het licht "zijn gekomen.

"De raadsman voert aan:

"(...)

"Voorts wijs ik het hof op het krantenartikel in "het Dagblad De Limburger van 27 juli 1996. In "dit artikel staat dat de korpschef Mostert "heeft gezegd dat er sprake is geweest van een "begeleidingscommissie. Mostert heeft dat "bericht nooit gecorrigeerd. Ik handhaaf mijn "verzoek om de officier van justitie mr [getuige 2], "de heer [getuige 3] en de heer [getuige 1] als "getuigen te horen, doch ik acht het wenselijk "om voorafgaande aan dat verhoor de korpschef "Mostert te horen.

"De procureur-generaal voert aan:

"De Korpschef Mostert heeft medegedeeld dat hij "omtrent de begeleidingscommissie destijds "verkeerd geïnformeerd is. Hij kan dat schrif"telijk bevestigen. Een verhoor van deze getuige "lijkt mij niet in het belang van het onderzoek. "Ik concludeer tot afwijzing van het verzoek.

"Na gehouden beraad deelt de voorzitter als be"slissing van het hof mede:

"- het onderzoek wordt geschorst tot de "terechtzitting van 30 oktober 1997 te 9.10 uur, "teneinde de niet verschenen getuigen te horen;

"- H. Mostert, korpschef van de politie Zuid "Limburg, en (...) worden op verzoek van de ver-"dediging op de lijst van getuigen geplaatst

"- De oproeping van de getuigen (...),

"H. Mostert en G. [getuige 3] wordt bevolen "tegen genoemd tijdstip;

"(...)".

6.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzit-ting van 30 oktober 1997 zijn aldaar onder meer de getuigen Mostert en [getuige 3] gehoord.

6.5. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de verdediging het verzoek om de getuigen [getuige 2] en getuige 1 te horen niet heeft gehandhaafd. In aanmerking genomen

(i) de redenen die de raadsman aan het verzoek om oproeping van de getuigen [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 2] ten grondslag heeft gelegd;

(ii) het alsnog door de raadsman ter terechtzitting van 17 juni 1997 gedane verzoek om voorafgaand aan het verhoor van genoemde drie getuigen de korpschef Mostert te horen, welk verzoek het Hof heeft ingewilligd, waarbij het, naast de getuige [getuige 3], ook genoemde Mostert op de lijst van getuigen heeft geplaatst en de oproeping van hen heeft bevolen tegen de terechtzitting van 30 oktober 1997;

(iii) de omstandigheid dat de getuigen Mostert en

[getuige 3] ter terechtzitting van 30 oktober 1997 omtrent de door de raadsman bedoelde commissie zijn gehoord, welke verklaringen niet door de verdediging zijn betwist, met name ook niet voorzover die inhouden dat

(a) [getuige 1] geen deel uitmaakte van de begeleidingscommissie doch uitsluitend van de beheerscommissie welke geen taak had bij de beoordeling van opsporingsmethoden;

(b) dat de toepassing van politie-infiltratie in het onderhavige onderzoek niet in de begeleidingscommissie is besproken en in de gesprekken naderhand de naam van [infiltrant] niet is gevallen;

(iv) de raadsman zijn verzoek om de oproeping van [getuige 1] en [getuige 2], welke laatste als behandelend Officier van Justitie was opgetreden, niet heeft herhaald of nader toegelicht nadat de getuigen Mostert en [getuige 3] hun verklaring ter terechtzitting van 30 oktober 1997 hadden afgelegd, is genoemd oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Tot een beslissing als in het middel bedoeld was het Hof daarom niet meer gehouden.

6.6. Het middel faalt dus.

7. Slotsom

Hetgeen hiervoor onder 3.6 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd moet het beroep voor het overige worden verworpen.

8. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze met twee maanden, zodat de opgelegde gevangenisstraf beloopt drie jaren en vier maanden;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt en Orie, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 2 november 1999.