Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3399

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-1999
Datum publicatie
26-07-2001
Zaaknummer
112341
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3399
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 29 maart 1996 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 28 november 1994 - de verdachte vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en haar voorts

ter zake van "het medeplegen van: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur met een middel van cassatie ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1. Een aan de op 7 december 1995 opgemaakte akte van hoger beroep gehechte bijzondere volmacht van de verdachte tot het instellen van beroep houdt in als adres van de verdachte "p/a [adres]".

3.2. De aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep gehechte akte van uitreiking houdt in dat die dagvaarding op 9 februari 1996 is uitgereikt aan de

(waarnemend) griffier van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is".

3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 1996 houdt in:

"De verdachte (...) zonder bekende woon-of "verblijfplaats hier te lande" is niet "verschenen".

Vervolgens houdt dat proces-verbaal in dat tegen de niet-verschenen verdachte verstek is verleend.

3.4. In het licht van de omstandigheid dat de verdachte bij het instellen van het hoger beroep als adres [adres]heeft opgegeven, is het oordeel van het Hof dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en dat de dagvaarding in hoger beroep op geldige wijze is betekend, niet zonder meer begrijpelijk.

3.5. De bestreden uitspraak kan dus niet in stand blijven. De Hoge Raad zal de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaren. Het middel kan daarom buiten bespreking blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen;

Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Davids als voor-zitter, en de raadsheren Koster en Aaftink, in bijzijn van de waarnemend-griffier Van de Griend, en uitgesproken op 2 november 1999.