Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3395

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-1999
Datum publicatie
26-07-2001
Zaaknummer
111492
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3395
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 27, geldigheid: 1999-11-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 253
NJ 2000, 127

Uitspraak

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een arrest van het

Gerechtshof te Leeuwarden

van 22 september 1998 in de

strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1963, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 8 augustus 1997 - de verdachte ter zake van "poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van dertig uren, in plaats van één week gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr W.F. de Haan, advocaat te

Groningen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt over ‘s Hofs verwerping van het verweer dat vanwege de ontijdige toepassing van de gehanteerde dwangmiddelen, te weten onderzoek aan de kleding en inbeslagneming, sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte het verweer gevoerd dat in de toelichting op het middel is weergegeven.

3.4. De bestreden uitspraak houdt als beslissing van het Hof daarop in:

"In het door de raadsman bedoelde proces-"verbaal (...) geeft de verbalisant aan dat hij "zeer kort na een melding over een gepleegde "inbraak in een school ter plaatse was gekomen. "Hij zag aldaar de hem ambtshalve bekende ver"dachte bij die school vandaan lopen. Hij zag "dat verdachte zwarte handschoenen droeg.

"Vervolgens heeft hij deze persoon, die hij naar "'s hofs oordeel toen reeds als verdachte kon "aanmerken, in zijn voertuig doen plaatsnemen, "waarna de verdachte niet meer vrij was zich te "verwijderen. Aldus werd de verdachte feitelijk "reeds op dat moment door de verbalisant aange"houden. Naar het oordeel van het Hof doet hier"aan niet af dat verbalisant (...) in zijn pro"ces-verbaal de (formele) aanhouding op een "later tijdstip relateert.

"Nu de gebruikte dwangmiddelen niet ontijdig "werden toegepast, moet het verweer van de "raadsman worden verworpen".

3.5. Als eerste klacht stelt het middel dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er voorafgaand aan de aanhouding en de toepassing van de dwangmiddelen sprake was van een verdenking in de zin van art. 27, eerste lid, Sv.

3.6. 's Hofs oordeel dat in de gegeven omstandigheden, te weten

- dat kort tevoren melding van de inbraak in een school was gedaan;

- dat de verbalisant, aangekomen bij die school, waarnam dat de hem ambtshalve bekende verdachte bij die school vandaan liep;

- dat de verdachte toen zwarte handschoenen droeg;

een redelijk vermoeden als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sv bestond, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

De klacht faalt dus.

3.7. De tweede klacht van het middel komt op tegen

's Hofs oordeel dat de verdachte reeds voorafgaand aan het toepassen van de dwangmiddelen, waaronder het onderzoek bedoeld in art. 56, tweede lid, Sv, werd aangehouden.

3.8. Het oordeel van het Hof dat de feitelijke handelingen van de verbalisant op het moment dat hij de verdachte in zijn voertuig deed plaatsnemen, waaruit hij zich niet zonder meer kon verwijderen, onder de gegeven omstandigheden een aanhouding opleverden, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu deze handelingen immers aangemerkt konden worden als het aan de verdachte ontnemen van diens vrijheid teneinde hem te geleiden naar een plaats van verhoor. Dit oordeel is verder niet onbegrijpelijk.

Ook de tweede klacht faalt dus.

3.9. Van de overige feiten en omstandigheden waarop het middel zich beroept – en de in verband daarmee opgeworpen vragen - kan niet blijken dat daarop ter terechtzitting van het Hof een beroep is gedaan, terwijl de steller van het middel miskent dat het Hof niet gehouden was ambtshalve blijk te geven de verkrijging van het bewijs te dien aanzien op zijn rechtmatigheid te hebben onderzocht.

3.10. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Corstens en Orie, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 23 november 1999.