Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3380

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-1999
Datum publicatie
19-11-1999
Zaaknummer
R98/162
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr E.A.E.G.J. Libosan,

t e g e n

DE GEMEENTE GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1.Het geding in feitelijke instanties

Met een op 22 juli 1997 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie – verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter te Groningen en verzocht:

- vast te stellen dat verzoekster tot cassatie – verder te noemen: [verzoekster] – ter zake van verstrekte bijstand aan de Gemeente verschuldigd is een bedrag van ƒ 12.604,58 en

- te bepalen dat voor het geval [verzoekster] in gebreke blijft om het vastgestelde bedrag aan de Gemeente te voldoen, de totaalsom van het te verhalen bedrag, verminderd met hetgeen daarop inmiddels is betaald, terstond kan worden ingevorderd.

Nadat [verzoekster], hoewel ter zake behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting was verschenen, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 7 oktober 1997 het verzoek van de Gemeente toegewezen.

Tegen deze beschikking heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Groningen.

Bij beschikking van 29 september 1998 heeft de Rechtbank [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar appel verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heef [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het verzoek van de Gemeente in dit geding strekt tot, kort samengevat, terugvordering van aan [verzoekster] verleende bijstand. De Gemeente heeft daartoe aan- gevoerd dat [verzoekster], alhoewel daartoe verplicht, heeft nagelaten haar onverwijld mededeling te doen van het feit dat zij in de betrokken periode nog steeds samenleefde met haar echtgenoot.

3.2[verzoekster] heeft geen verweerschrift ingediend en is niet ter zitting verschenen. De Kantonrechter heeft het verzoek toegewezen.

3.3[verzoekster] heeft in hoger beroep als grief aangevoerd:

“Ten onrechte stelt de Kantonrechter vast dat betrokkene een bedrag van ƒ 12.604,58 aan de gemeente verschuldigd is. Betrokkenen ontkennen in de periode 28 april 1995 t/m 2 oktober 1995 te hebben samengewoond. Zij bieden hiervan bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen”.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de raadsman van [verzoekster] – zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

“Ik verzoek de rechtbank de behandeling van heden te beperken tot de vraag of appellante ontvankelijk is in haar appel in verband met de appeltermijn en de inhoudelijke behandeling van het appel te bepalen op een nader tijdstip.

In verband met de kosten heb ik nog geen nader onderzoek gedaan en zal dit ook niet nodig zijn indien appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard. Ik kan appellante zo een hoge rekening van advocaatkosten besparen.

Appellante noch ik is op dit moment in het bezit van het procesdossier in eerste aanleg. (…) Pas wanneer die stukken in mijn bezit zijn, kan ik de gronden aanvoeren waarop de grief steunt. (…)”

3.4 In haar beschikking van 29 september 1998 heeft de Rechtbank in rov. 4 het volgende overwogen.

“In het beroepschrift is als enige grief aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat [verzoekster] een bedrag van ƒ 12.604,58 aan de gemeente verschuldigd is, met als toelichting dat appellante de samenwoning in de terugvorderingperiode ontkent.

De gronden waarop appellante concludeert dat de door haar bestreden beschikking moet worden vernietigd, ontbreken.

Nu die gronden niet uit het beroepschrift blijken – ook in verzoekschriftprocedures dient dat het geval te zijn – en ook niet anderszins binnen de appeltermijn ter kennis van de rechtbank en de wederpartij zijn gebracht, zal de rechtbank met het oog hierop appellante toch niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep. (…)”

Hiertegen keert zich het middel.

3.5De Hoge Raad zal de onderdelen 1 en 2 van het middel, die zijn gericht tegen rov. 4 van de Rechtbank, gezamenlijk behandelen. In die onderdelen wordt betoogd dat het bestreden oordeel van de Rechtbank onbegrijpelijk is nu [verzoekster] in haar beroepschrift als grief heeft aangevoerd, zoals ook blijkt uit de weergave daarvan door de Rechtbank, dat zij ontkent dat zij in de periode van 28 april 1995 tot en met 2 oktober 1995 met haar echtgenoot heeft samengewoond.

De onderdelen treffen doel. Het verzoek van de Gemeente berust erop dat [verzoekster] in de periode waarover de Gemeente de verleende bijstand wenst terug te vorderen met haar echtgenoot heeft samengewoond. In de eerste aanleg heeft [verzoekster] geen verweer gevoerd. De Kantonrechter heeft de toewijzing van het verzoek erop gegrond, voorzover in cassatie van belang, dat uit hetgeen de Gemeente heeft gesteld haar vordering is komen vast te staan. De hiervoor vermelde overweging van de Rechtbank is dan ook, gelet op hetgeen [verzoekster] in haar beroepschrift heeft aangevoerd, onbegrijpelijk. Dit één en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat uit het beroepschrift blijkt op welke grond [verzoekster] oordeelt dat de door haar bestreden beschikking onjuist is. Hieraan doet niet af dat de raadsman van [verzoekster] ter zitting heeft verklaard dat nog nadere gronden zouden worden aangevoerd, nu de vraag of een beroepschrift de gronden voor het beroep bevat, op basis van dit geschrift moet worden beoordeeld. De Rechtbank heeft [verzoekster] derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

3.6Nu de onderdelen 1 en 2 slagen, behoeft onderdeel 3 geen behandeling meer.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Groningen van 29 september 1998;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] begroot op ƒ 640,-- aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Neleman, Herrmann, Fleers en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 19 november 1999.