Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3379

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/154 HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 98
Algemene bijstandswet 103
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429n
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 345
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

in de zaak van:

DE GEMEENTE STEENBERGEN,

gevestigd te Steenbergen,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr P.S. Kamminga,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr E. van Staden ten Brink.

1.Het geding in feitelijke instanties

Bij beschikking van 19 augustus 1994 heeft de Rechtbank te Breda op verzoek van verzoekster tot cassatie – verder te noemen: de Gemeente – bepaald dat verweerder in cassatie – verder te noemen: [verweerder] – vanaf 1 oktober 1993 een bedrag van ƒ 1.836,11 per maand aan de Gemeente dient te betalen ter zake van gemaakte en nog te maken kosten van bijstand ten behoeve van zijn voormalige echtgenote. [verweerder] had tegen het verzoek geen verweer gevoerd.

In een op 21 november 1997 ter griffie van de Rechtbank te Breda ingekomen verzoekschrift is [verweerder] tegen voormelde beschikking in verzet gekomen en heeft hij verzocht de beschikking van de Rechtbank van 19 augustus 1994 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het door [verweerder] te betalen verhaalsbedrag met ingang van 1 oktober 1993 op nihil wordt gesteld.

De Gemeente heeft in haar verweerschrift verzocht [verweerder] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 17 februari 1998 haar beschikking van 19 augustus 1994 in zoverre gewijzigd dat het bedrag dat [verweerder] over de periode van 28 januari 1997 tot 19 juni 1997 aan de Gemeente ter zake van gemaakte kosten van bijstand ten behoeve van zijn voormalige echtgenote dient te betalen, wordt vastgesteld op nihil en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft [verweerder] op 25 maart 1998 hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij beschikking van 30 september 1998 heeft het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank vernietigd en met wijziging van de beschikking van de Rechtbank te Breda van 19 augustus 1994 het verhaalsbedrag over de periode van 28 januari 1997 tot 19 juni 1997 op nihil vastgesteld en het verhaalsbedrag over de periode van 1 oktober 1993 tot 28 januari 1997 alsmede over de periode van 19 juni 1997 tot 3 november 1997 vastgesteld op in totaal ƒ 10.000,--.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.

3.Beoordeling van het middel

3.1 Onderdeel A betoogt dat het Hof heeft miskend dat in de onderhavige procedure betreffende verhaal van kosten van bijstand de Wet van 15 april 1992, Stb. 193, van toepassing is, nu [verweerder] bij verzoekschrift van 21 november 1997 in verzet is gekomen tegen een beschikking van 19 augustus 1994 van de rechtbank te Breda, gegeven op een verzoek van de Gemeente tot verhaal. Het Hof had [verweerder] in zijn hoger beroep, op 25 maart 1998 ingesteld tegen de beschikking van 17 februari 1998, niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat dit beroep was ingesteld na het verstrijken van de appeltermijn die ingevolge art. 828i lid 1 (oud) Rv. drie weken beliep. Dit geldt zowel in het geval dat het verzoekschrift van [verweerder] strekte tot verzet tegen de beschikking als in het geval dat het verzoekschrift strekte tot wijziging van het verhaalsbedrag, aldus het onderdeel.

3.2 Bij de beoordeling van dit onderdeel moet ervan worden uitgegaan dat het verzoek van [verweerder] van 21 november 1997 moet worden aangemerkt als een verzoek tot wijziging van de beschikking van 19 augustus 1994, nu de Rechtbank het verzoek in deze zin heeft uitgelegd en hiertegen in hoger beroep niet is opgekomen. Het verzoek tot wijziging heeft een nieuwe procedure ingeleid, waarin het inleidend verzoekschrift is ingediend op 21 november 1997, derhalve na de inwerkingtreding op 1 januari 1996 van de nieuwe Abw.

Hieruit volgt dat in dit geding van toepassing zijn de procedureregels voor het verhaal in rechte volgens de sinds 1 januari 1996 geldende Abw. De Abw geeft enige procedureregels voor het verhaal in rechte in art. 103, maar bevat niet een bepaling waarin de inwerkingtreding van de twaalfde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor deze verhaalsprocedures is geregeld, noch een specifieke regeling van de termijn van hoger beroep in deze procedures.

De Wet van 15 april 1992, Stb. 193, bevatte wel een zodanige bepaling in art. IX, luidend: "De twaalfde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering treedt gelijktijdig met deze wet in werking ten aanzien van gedingen bedoeld in § 2 van Hoofdstuk IV A." Deze bepaling was geschreven voor de ABW zoals deze heeft gegolden vanaf 1 augustus 1992 tot 1 januari 1996, en kan niet zonder meer worden toegepast op de nieuwe Abw, die de oude ABW geheel heeft vervangen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de nieuwe Abw blijkt niet van de bedoeling om de werking van deze bepaling te beëindigen bij de invoering van de Abw. Kennelijk is verzuimd om een vergelijkbare bepaling op te nemen in de Abw ten aanzien van gedingen bedoeld in Hoofdstuk VII Abw, waarin het verhaal van kosten van bijstand thans is geregeld. Art. 103 lid 2 Abw wijst in de richting van toepasselijkheid van de art. 429a-r Rv., omdat de daarin van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen 799, tweede lid, 801 en 803 Rv. moeten worden aangemerkt als bijzondere procesregels ten opzichte van de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure in de art. 429a-r Rv. Zowel uit een oogpunt van consistentie als uit een oogpunt van doelmatigheid moet worden aangenomen dat de art. 429a-r Rv. van overeenkomstige toepassing zijn in procedures tot verhaal van kosten van bijstand.

Een en ander brengt mee dat in deze procedures de in art. 429n lid 2 Rv. gegeven regeling van de appeltermijn van overeenkomstige toepassing is, zodat de appeltermijn voor [verweerder] als de oorspronkelijke verzoeker twee maanden na de dagtekening van de eindbeschikking bedroeg. Deze slotsom zou ook kunnen worden gegrond op art. 345 Rv., maar overeenkomstige toepassing van art. 429n ligt gelet op het vorenoverwogene meer voor de hand en verdient de voorkeur, daar dit artikel een meer omvattende en verbeterde regeling bevat in vergelijking met die van art. 345. [verweerder] heeft binnen deze termijn hoger beroep ingesteld. Onderdeel A faalt derhalve.

3.3 Onderdeel B klaagt dat het Hof heeft miskend dat blijkens art. 98 lid 1 Abw het door de rechter vastgestelde verhaalsbedrag op verzoek van degene op wie verhaal wordt uitgeoefend door de rechter slechts kan worden gewijzigd op grond van wijziging van omstandigheden en niet op de grond dat bij de vaststelling van het verhaalsbedrag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Het onderdeel is ongegrond daar het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Met het in art. 98 lid 1 Abw bedoelde geval van sedert een vorige beschikking gewijzigde omstandigheden moet worden gelijkgesteld het geval dat bij een vorige beschikking is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens (vgl. HR 11 november 1988, nr. 7336, NJ 1989, 126, en HR 14 april 1989, nr. 7459, NJ 1990, 412).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 2.990,-- in totaal, waarvan ƒ 2.880,-- op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de griffier, en ƒ 110,-- te voldoen aan [verweerder].

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Neleman,

Heemskerk, Fleers en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 19 november 1999.