Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3370

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/076HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 126
NJ 2000, 222 met annotatie van A.R. Bloembergen
RvdW 1999, 170
V-N 2000/15.30 met annotatie van Redactie
JOR 2000/43
RV 2014/92 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest

in de zaak van:

[eiseres]BOUW B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr P.J.M. von Schmidt auf

Altenstadt,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van

Financiën),

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr H.D.O. Blauw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 28 oktober 1992 verweerder in cassatie – verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en – na wijziging van eis – gevorderd de Staat te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 1.037.413,93, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de inleidende dagvaarding.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 1 februari 1995 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 20 november 1997 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr J.L. Smeehuijzen, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep.

3.Beoordeling van het middel

3.1In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i)De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sport en Spel Aalsmeer B.V. (verder: Sport en Spel) heeft in juli 1980 aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting 1979 en in december 1980 aangifte voor de vennootschapsbelasting 1980. Deze aangiften resulteerden in belastbare bedragen van nihil en verrekenbare investeringsbijdragen van onderscheidenlijk ƒ 391.938,-- en ƒ 609.670,--.

(ii)Sport en Spel heeft bij akte van cessie van 3 oktober 1980, aangevuld bij akte van 4 oktober 1980 haar aanspraken op de investeringsbijdragen over de jaren 1979 en 1980 aan [eiseres] overgedragen. Deze overdrachten strekten tot zekerheid van een vordering van [eiseres] van ongeveer 2,7 miljoen gulden. Sport en Spel verleende daarbij aan [eiseres] onherroepelijk volmacht tot het verrichten van al datgene wat van invloed kan zijn op de omvang van de vordering en op de realisatie en inning daarvan.

(iii)[eiseres] heeft de cessie aanvaard. Zij heeft de akten van 3 en 4 oktober 1980 op 5 en 15 december 1980 doen betekenen aan de Ontvanger der directe belastingen te Eindhoven.

(iv)Op 6 januari 1981 is Sport en Spel in staat van faillissement verklaard.

(v)Op 30 augustus 1983 heeft de Inspecteur van de vennootschapsbelasting te Amsterdam (verder: de Inspecteur) op de voet van art. 12 Algemene wet inzake rijksbelastingen beschikkingen gegeven, inhoudende dat aan Sport en Spel over de jaren 1979 en 1980 geen (negatieve) aanslagen in de vennootschapsbelasting zullen worden opgelegd.

(vi)Tegen deze beschikkingen heeft Sport en Spel bij bezwaarschriften van 2 september 1983 bezwaar gemaakt.

(vii)De Inspecteur heeft op het bezwaar de investeringsbijdrage over het jaar 1979 alsnog toegekend. Het bedrag van ƒ 391.938,-- is op 9 september 1986 aan [eiseres] betaald.

(viii) Met betrekking tot het jaar 1980 heeft Sport en Spel beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Daarbij trad de belastingadviseur van [eiseres] op als gemachtigde van Sport en Spel. Dat Hof heeft bij uitspraak van 8 mei 1989 de bestreden uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de investeringsbijdrage waarop Sport en Spel voor het jaar 1980 aanspraak had gemaakt, alsnog toegekend. Het bedrag van ƒ 609.670,-- is op 24 oktober 1989 aan [eiseres] betaald.

3.2.1[Eiseres] heeft in dit geding gevorderd dat de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van (rente)schade bestaande uit "compensatoire" interessen over de in 3.1 onder (i) genoemde bedragen vanaf vijftien maanden na het einde van het desbetreffende boekjaar, door [eiseres] berekend op ƒ 1.037.413,93. [eiseres] grondt deze vordering erop dat zij de genoemde schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen door de Staat, hierin bestaande dat de aangiften vennootschapsbelasting van Sport en Spel met vertraging zijn afgedaan.

3.2.2De Rechtbank heeft de vordering afgewezen. Daarbij heeft de Rechtbank met betrekking tot de investeringsbijdrage over het jaar 1979 erop gewezen dat de Inspecteur reeds in de bezwaarfase het standpunt van Sport en Spel heeft gehonoreerd. De juistheid van het standpunt van [eiseres] dat sprake is van een verwijtbaar verzuim aan de kant van de Inspecteur bij de behandeling van de aangifte over 1979 kan naar het oordeel van de Rechtbank in het midden blijven omdat een dergelijk verzuim hoogstens zou kunnen leiden tot aansprakelijkheid jegens Sport en Spel. Met betrekking tot de investeringsbijdrage over 1980 heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Staat in beginsel aansprakelijk is voor de gevolgen van de weigering door de Inspecteur om aan Sport en Spel de investeringsbijdrage over 1980 toe te kennen, zoals de Staat ook erkent, maar dat die aansprakelijkheid alleen bestaat jegens de door de beschikking getroffene, dat is Sport en Spel. [eiseres] kan naar het oordeel van de Rechtbank geen aanspraken op grond van onrechtmatige daad tegen de Staat ontlenen aan de hiervoor in 3.1 onder (viii) genoemde uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam.

3.2.3Het Hof heeft de tegen het vonnis van de Rechtbank aangevoerde grieven verworpen. Daarbij heeft het Hof in het midden gelaten of de Staat onrechtmatig gedrag kan worden verweten met betrekking tot de behandeling van de aangifte over 1979. In zijn rov. 4.2 en 4.3 heeft het Hof, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. Onjuist is de opvatting van [eiseres] dat zij, zo de Inspecteur bij de regeling van de onderhavige aanslagen onrechtmatig heeft gehandeld, als cessionaris de Staat op grond van onrechtmatige daad kan aanspreken. Vorderingen tot vergoeding van schade ter zake van onrechtmatig gedrag van de Staat bij de afwikkeling van de aanslagen vennootschapsbelasting over 1979 en 1980 komen toe aan Sport en Spel. [eiseres] heeft deze vorderingen niet als bij de aan haar gecedeerde vorderingen behorende nevenrechten verkregen. Van onrechtmatig handelen van de Staat jegens [eiseres] is geen sprake.

Daartegen keert zich het middel. Bij de beoordeling daarvan moet, nu het Hof zulks in het midden heeft gelaten, veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat de Staat, ook voorzover het de afwikkeling van de aanslag vennootschapsbelasting 1979 betreft, onrechtmatig heeft gehandeld.

3.3.1Onderdeel 2.2 - de onderdelen 1 en 2.1 bevatten geen klacht - klaagt in de eerste plaats dat het Hof heeft miskend dat in het onderhavige geval bij de cessie van de vordering uit de publiekrechtelijke rechtsverhouding tussen Sport en Spel en de Staat, ook de op een onrechtmatige daad gegronde vordering tot de nevenrechten moet worden gerekend, zodat [eiseres] ook deze vordering door de cessie heeft verkregen.

3.3.2Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat door de cessie van de vorderingen op de Ontvanger der directe belastingen uit hoofde van de aanslagen in de vennootschapsbelasting over de jaren 1979 en 1980 wel de vorderingsrechten te dier zake van Sport en Spel zijn overgegaan op [eiseres], maar dat daarmee niet ook de gehele rechtspositie waarin Sport en Spel stond tegenover de Staat is overgegaan op [eiseres]. In geval van overgang van een vordering door levering of anderszins gaan volgens het vóór 1 januari 1992 geldende recht, en gaan thans ingevolge art. 6:142 BW, de bij de vordering behorende nevenrechten van rechtswege over op de verkrijger van de vordering. Voor het overige blijven de vorderingen van de cedent op de schuldenaar aan eerstbedoelde toebehoren. Zoals ook in de Toelichting Meijers bij art. 6:142 tot uitdrukking wordt gebracht behoren en behoorden tot die nevenrechten niet de rechten die niet aan de overgedragen vordering zijn verbonden, maar die deel uitmaken van de gehele rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de oorspronkelijke schuldeiser (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 528). Een recht op schadevergoeding uit onrechtmatige daad is niet een nevenrecht, ook niet wanneer het gaat om overgang van een vordering uit een publiekrechtelijke verhouding.

De eerste klacht van onderdeel 2.2 faalt derhalve.

3.4.1De Hoge Raad zal vervolgens eerst de onderdelen 2.3 en 2.4 gezamenlijk behandelen. Deze onderdelen strekken ten betoge dat het Hof heeft miskend dat [eiseres] mede aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat het beleid van de Staat in de bezwaarfase van beide aangiften en de nadien vernietigde beschikking met betrekking tot het jaar 1980 onrechtmatige daden jegens [eiseres] opleveren omdat deze als cessionaris/schuldeiser onder de omstandigheden van het geval (ook) heeft te gelden als "de door de beschikking getroffene" althans als "derde belanghebbende".

3.4.2Anders dan [eiseres] heeft aangevoerd kan zij niet worden beschouwd als degene wier inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de beschikkingen van de Inspecteur betrekking hadden. Daaraan doet niet af dat Sport en Spel haar aanspraken terzake van de WIR-premies ter uitvoering van een civielrechtelijke overeenkomst had overgedragen aan [eiseres]. [Eiseres] kan ook niet worden beschouwd als een derde-belanghebbende in belastingrechtelijke zin. De beschikkingen van de Inspecteur betroffen aanspraken van Sport en Spel ter zake van WIR-premies die voor haar voortvloeiden uit de belastingwetgeving. Door de overdracht van deze vorderingen heeft [eiseres] niet vorderingen verkregen die voor haar uit de belastingwetgeving voortvloeiden. De omstandigheid dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens Sport en Spel rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat hem ook onrechtmatig handelen jegens [eiseres] kan worden verweten.

Voorzover [eiseres] zich erop beroept dat de Staat jegens haar in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en aldus onrechtmatig, heeft gehandeld, falen de onderdelen eveneens. Niet uitgesloten is dat, wanneer de Staat in het kader van uitvoering van belastingwetgeving onrechtmatig handelt jegens een belastingplichtige, dit handelen tevens in voormelde zin als onzorgvuldig jegens een derde moet worden aangemerkt. Of daarvan sprake is zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in het onderhavige geval tot het oordeel zouden moeten leiden dat van een dergelijk onrechtmatig handelen van de Staat sprake is, zijn echter naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het Hof gesteld noch gebleken.

3.4.3Op hetgeen onder 3.4.1 en 3.4.2 is overwogen stuiten ook de overige klachten van onderdeel 2.2 af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 8.857,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Neleman, Heemskerk, Fleers en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 12 november 1999