Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3369

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/077HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet 73, geldigheid: 1999-11-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 127
NJ 2000, 67
RvdW 1999, 171

Uitspraak

Arrest

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr R.B. van Heijningen,

t e g e n

de gezamenlijke erven van [OVERLEDENE],

laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1.Het geding in feitelijke instanties

Bij verstekvonnis van 13 december 1994 heeft de Rechtbank te Haarlem op vordering van [overledene], destijds wonende te [woonplaats], - hierna: [overledene] - eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] – veroordeeld tot betaling aan [overledene] van (1) een bedrag van ƒ 10.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom per 30 september 1994, en (2) de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van ƒ 1.325,--.

[eiser] is bij exploit van 10 januari 1995 tegen dit verstekvonnis in verzet gekomen.

[overledene] heeft het verzet en het verweer van [eiser] tegen de vordering van [overledene] bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 16 april 1996 [eiser] bewijslevering opgedragen. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 24 september 1996 het verzet ongegrond verklaard en haar tussen partijen op 13 december 1994 gewezen verstekvonnis bekrachtigd.

Tegen beide vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. In hoger beroep hebben verweerders in cassatie – verder te noemen: de erven [overledene] – de procedure voortgezet.

Bij arrest van 20 november 1997 heeft het Hof beide vonnissen van de Rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de erven [overledene] is verstek verleend.

[eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 9 september 1999 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

[eiser] heeft in of omstreeks juli 1974 van [overledene], erflater van de verweerders in cassatie, renteloos een bedrag van ƒ 10.000,-- geleend.

[overledene] heeft [eiser] bij brief van 19 september 1994 gesommeerd tot terugbetaling van dat bedrag. [eiser] heeft terugbetaling geweigerd.

De Rechtbank heeft [eiser] bij verstek veroordeeld tot betaling aan [overledene] van ƒ 10.000,-- met rente en kosten. In de vervolgens door [eiser] aangespannen verzetprocedure heeft [eiser] de vordering van [overledene] bestreden met een beroep op verjaring ingevolge art. 3:307 BW in verbinding met art. 73 Overgangswet NBW.

3.2 De Rechtbank heeft bij tussenvonnis in de verzetprocedure in de eerste plaats geoordeeld (rov. 6.2) dat [eiser]s beroep op verjaring ingevolge art. 3:307 lid 2 slaagt indien hij bewijst dat [overledene] de lening heeft opgeëist vóór 19 september 1989, omdat in dat geval de vordering is verjaard vóór de stuiting door de brief van 19 september 1994; dit oordeel had betrekking op de door [eiser] ingeroepen verjaring door verloop van vijf jaren. De Rechtbank droeg [eiser] bewijs van de gestelde opeising op.

In de tweede plaats heeft de Rechtbank bij dat tussenvonnis geoordeeld (rov. 6.3) dat het beroep van [eiser] op verjaring door verloop van twintig jaren niet opgaat. De Rechtbank baseerde dit oordeel op de overwegingen, verkort weergegeven, dat indien, zoals [eiser] zelf stelt, de lening is verstrekt in juli 1974, voor verjaring mede vereist is dat opeising van de vordering vóór 19 september 1974 mogelijk was, en dat dit op voorhand onaannemelijk is omdat het zou betekenen dat de lening binnen (ongeveer) twee maanden na verstrekking opeisbaar was, terwijl [eiser] voor aanname van dit laatste onvoldoende heeft gesteld.

Na [eiser] en diens echtgenote als getuigen te hebben gehoord, heeft de Rechtbank bij haar eindvonnis in de verzetprocedure het aan [eiser] opgedragen bewijs niet geleverd geacht, het verzet ongegrond verklaard en het verstekvonnis bekrachtigd.

3.3.1 Het Hof heeft de vonnissen van de Rechtbank bekrachtigd.

De eerste appelgrief van [eiser] was gericht tegen het door de Rechtbank in rov. 6.3 van haar tussenvonnis overwogene en strekte ten betoge dat de Rechtbank heeft miskend dat sprake is van een geldleningsovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat [overledene] het geleende bedrag zelfs daags na het sluiten van de overeenkomst had kunnen opeisen, zodat de verjaring – op de voet van art. 2004 (oud) BW - is gaan lopen vanaf juli 1974 en, bij gebreke van stuiting, ingevolge art. 3:307 BW in verbinding met art. 73 Overgangswet NBW per 1 januari 1993 was voltooid. Aan het slot van de toelichting op de grief betoogde [eiser] nog: “Vervolgens dient te worden beoordeeld of op 1 januari 1993 de termijn van 5 jaar ex art. 3:307 is verstreken. Dit is in deze ruimschoots het geval namelijk op juli 1979”.

Het Hof heeft deze grief ongegrond bevonden, daartoe overwegende dat [eiser] met zijn (door het Hof kort samengevatte) betoog uit het oog verliest “dat de verjaring eerst kon aanvangen nadat [overledene] de gesloten geldlening door opzegging had beëindigd en dusdoende de schuld opeisbaar maakte”.

3.3.2 De tweede grief, die was gericht tegen rov. 6.2 van de Rechtbank, strekte ten betoge (a) dat de Rechtbank had miskend dat volgens art. 3:307 BW in verbinding met art. 73 Overgangswet NBW de stuitingsbrief van 19 september 1994 niet relevant is, nu het erom gaat of de verjaringstermijn vóór 1 januari 1992 is aangevangen, (b) dat de verjaringstermijn in juli 1974 is aangevangen, (c) dat op 1 januari 1993 de verjaringstermijn van vijf jaar reeds lang verlopen was, en (d) dat aan [eiser] ten onrechte bewijs van “de stuiting van de onderhavige verjaringstermijn” is opgedragen.

Het Hof heeft ook deze grief ongegrond bevonden. Het oordeelde dat de grief op een onjuiste lezing van het vonnis berustte. Terecht heeft de Rechtbank aan [eiser] “het door hem voorgestelde bewijs van de opeising van de geldlening en daarmede van de aanvang van de verjaringstermijn” opgedragen, aldus het Hof. Vervolgens overwoog het Hof: “Voor een bewijsopdracht aan [overledene] is hieromtrent bij een juiste verdeling van de bewijslast geen plaats”.

3.4.1 Het middel vermeldt onder I dat het is gericht tegen de hiervoor in 3.3.1, slot, en in 3.3.2, slot, weergegeven overwegingen van het Hof. Onder II voert het middel twee rechtsklachten aan, waarvan de eerste (aangeduid met A) erop neerkomt dat het Hof heeft miskend dat volgens art. 3:313 BW de termijn van verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verplichting om te geven of te doen, begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd, en dat de onderhavige lening, nu terzake niets nader was overeengekomen, ieder moment opeisbaar was.

Voor zover met deze klacht wordt gedoeld op de in art. 3:307 lid 1 bedoelde termijn van vijf jaren, faalt zij omdat ingevolge het tweede lid van dit artikel die termijn in geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd pas loopt van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. De in art. 3:313 gegeven regel omtrent de aanvang van de verjaringstermijn geldt slechts, zoals in de aanhef van het artikel wordt vooropgesteld, indien de wet niet anders bepaalt; art. 3:307 lid 2, eerste gedeelte, bevat zulk een afwijkende bepaling.

De klacht heeft echter kennelijk mede betrekking op de termijn van twintig jaren, bedoeld in het tweede gedeelte van art. 3:307 lid 2. In zoverre treft zij doel. Het Hof heeft, overwegende als hiervoor in de laatste alinea van 3.3.1 vermeld, eraan voorbijgezien dat voor de aanvang van die verjaringstermijn niet beslissend is op welk tijdstip [overledene] de geldlening door opzegging had beëindigd, maar tegen welk tijdstip [overledene] de lening had kunnen opzeggen. De genoemde bepaling moet blijkens de wetsgeschiedenis immers voor het geval dat een vordering door opzegging opeisbaar wordt gemaakt, aldus worden uitgelegd dat de verjaring in bedoeld geval – dat zich naar ’s Hofs oordeel te dezen voordoet – loopt van de aanvang van de dag volgende op die waartegen opgezegd had kunnen worden (zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1414, in verbinding met blz. 1411 en de voetnoten op deze bladzijden).

3.4.2 De tweede klacht (aangeduid met B) strekt ten betoge dat het Hof, indien het – zoals het had moeten doen – ervan zou zijn uitgegaan dat de verjaringstermijn een aanvang nam op de dag nadat het geldsbedrag feitelijk te leen was ontvangen, aan [overledene] het bewijs had moeten opdragen dat de verjaring om enigerlei reden was gestuit. De klacht mist feitelijke grondslag voor zover zij veronderstelt dat het Hof bij zijn verwerping van de tweede grief het oog had op stuiting van de verjaring: het Hof overwoog juist dat [eiser] in de uitspraak van de Rechtbank ten onrechte een tot hem gerichte bewijsopdracht ten aanzien van de stuiting van de verjaringstermijn had gelezen. ‘s Hofs oordeel omtrent de verdeling van de bewijslast had betrekking op de stelling van [eiser] dat [overledene] de lening vóór 19 september 1989 had opgeëist.

Voor het overige berust de klacht op de stelling dat de geldlening onmiddellijk opeisbaar was nadat het geldsbedrag feitelijk te leen was ontvangen. Ook in zoverre is de klacht tevergeefs voorgedragen. Het Hof heeft geoordeeld dat voor opeisbaarheid van de lening opzegging vereist was, welk oordeel berust op de aan het Hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de overeenkomst van geldlening, bij welke uitleg het kennelijk het bepaalde in art. 6:248 lid 1 BW in aanmerking heeft genomen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Opmerking verdient nog dat, voor zover het middel mocht strekken ten betoge dat ’s Hofs oordeel strijdig is met art. 6:38 BW, inhoudende dat (terstond kan worden nagekomen en) terstond nakoming kan worden gevorderd indien “geen tijd voor de nakoming is bepaald”, het eraan voorbijziet dat het hier gebezigde woord “bepaald” blijkens de wetsgeschiedenis niet impliceert dat een uitdrukkelijk beding nodig is, maar mede verwijst naar de aanvullende bronnen voor de vaststelling van de inhoud van een overeenkomst (zie Parl. Gesch. Boek 6, blz. 171).

3.5Het in 3.4.1, laatste alinea, overwogene brengt mee dat ’s Hofs arrest niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen voor een nader onderzoek naar de vraag tegen welk tijdstip [overledene] de overeenkomst van geldlening had kunnen opzeggen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 november 1997;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage;

veroordeelt de erven [overledene] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 4.186,82 in totaal, waarvan ƒ 4.076,82 op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de griffier, en ƒ 110,-- te voldoen aan [eiser].

Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Neleman, Van der Putt-Lauwers, Fleers en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 12 november 1999.