Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3366

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R98/133HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA3366
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 426
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 429n
Wet houdende nieuwe regeling terugvordering en verhaal van kosten van bijstand IX
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 121
NJ 2000, 83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr A.L.Chr.M. Oomen,

t e g e n

De Gemeemte AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr R.M. Schutte.

1.Het geding in feitelijke instanties

Met een op 27 september 1995 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie – verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht te bepalen dat door verzoeker tot cassatie – verder te noemen: de man – aan de Gemeente zal worden voldaan:

A.ter zake van gemaakte kosten van bijstand over het tijdvak 19 maart 1993 tot en met 30 september 1993 een bedrag van ƒ 47.802,84;

B.ter zake van nog te maken kosten van bijstand met ingang van 1 oktober 1995 maandelijks een verhaalsbedrag van ƒ 1.760,--, zolang de verlening van bijstand aan zijn ex-echtgenote (hierna: de vrouw) voortduurt, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

De man heeft het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 10 april 1996 bepaald dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de vrouw met ingang van 27 september 1995 ƒ 1.760,-- per maand aan de Gemeente zal betalen, zolang de bijstandsverlening aan de vrouw voortduurt. Voorts heeft de Rechtbank bepaald dat de verhoging van rechtswege met het wettelijke indexeringspercentage van het hiervoor vastgestelde bedrag niet eerder zal worden toegepast dan per 1 januari 1998, en het meer of anders verzochte afgewezen. Bij afzonderlijke beschikking van 10 april 1996 heeft de Rechtbank de man verzocht de onder 8 van deze beschikking vermelde bescheiden aan de Rechtbank alsmede aan de Gemeente te doen toekomen, welk verzoek bij beschikking van 18 december 1996 door de Rechtbank is herhaald.

Tegen de beschikkingen van de Rechtbank van 10 april 1996 en de beschikking van 18 december 1996 heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 2 juli 1998 heeft het Hof de bestreden beschikkingen bekrachtigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep, althans dat beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt ertoe dat de verzoeker niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Ingevolge art. IX van de op 1 augustus 1992 in werking getreden Wet van 15 april 1992, Stb. 193, zijn gelijktijdig met die wet de art. 429a - 429r Rv. in werking getreden ten aanzien van de bij die wet in de ABW ingevoegde § 2 van Hoofdstuk IV A. Deze regeling heeft gegolden tot de inwerkingtreding op 1 januari 1996 van de sindsdien geldende Abw.

In het onderhavige geval is het verzoekschrift van de Gemeente waarbij zij de Rechtbank heeft verzocht het op de man te verhalen bedrag ter zake van aan de vrouw verleende bijstand te bepalen op de hiervoor onder 1 vermelde bedragen, ter griffie van de Rechtbank ingekomen op 27 september 1995. Dit brengt, gelet op het hiervoor overwogene, mee dat ingevolge art. 426 in verbinding met art. 429n Rv. de cassatietermijn twee maanden na de dagtekening van de eindbeschikking bedraagt. Het verzoekschrift waarbij de man beroep in cassatie heeft ingesteld tegen 's Hofs beschikking van 2 juli 1998, is evenwel eerst ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 30 september 1998, derhalve na het verstrijken van vorenbedoelde termijn. Hieruit vloeit voort dat de man niet in zijn beroep kan worden ontvangen.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Neleman, als voorzitter, De Savornin Lohman en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemserk op 12 november 1999.