Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA3363

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
C98/106HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is, 's-Gravenhage, 24-10-1956 11, geldigheid: 1999-11-05
Wet op de rechterlijke organisatie 99, geldigheid: 1999-11-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 1999, 118
NJ 2000, 66
RvdW 1999, 168

Uitspraak

Arrest

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr F.J. de Vries,

t e g e n

[de vrouw],

wonende te [woonplaats], California, Verenigde Staten van Amerika,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1.Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploit van 15 juli 1992 eiser tot cassatie – verder te noemen: de man - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd de man te veroordelen om aan de vrouw, in haar hoedanigheid van moeder/voogdes, ter zake van het levensonderhoud van de minderjarige [zoon] te voldoen een bedrag van ƒ 1.000,-- per maand, zulks vanaf 31 oktober 1991, althans vanaf zodanig tijdstip en voor zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, tot aan de meerderjarigheid van voornoemd kind.

De man heeft voor antwoord geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar vordering, althans tot afwijzing daarvan, althans tot veroordeling van de man tot betaling van ƒ 16.107,--, althans tot veroordeling van de man tot betaling van de door de Rechtbank in goede justitie te bepalen contante waarde van de bijdrage in het levensonderhoud van het kind.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 25 januari 1994 het Internationaal Juridisch Instituut te 's-Gravenhage om inlichtingen verzocht. Nadat dit Instituut op 6 april 1994 ter zake rapport had uitgebracht, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 24 mei 1994 partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dat rapport en bewijsstukken in het geding te brengen. Bij eindvonnis van 24 januari 1995 heeft de Rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van dit vonnis een bedrag van ƒ 250,-- per maand zal voldoen aan de vrouw.

Tegen dit eindvonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij memorie van grieven heeft de vrouw gevorderd voormeld eindvonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man te veroordelen tot betaling van ƒ 1.673,50 per maand, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, zulks vanaf 31 oktober 1991, vermeerderd met de wettelijke indexering vanaf 1 januari 1992.

De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij tussenarrest van 18 juli 1996 heeft het Hof in het principaal en incidenteel appel de man in de gelegenheid gesteld zich uit te laten en opgave te doen als vermeld onder rov. 4.14 van dit arrest. Vervolgens heeft het Hof bij (gedeeltelijk) eindarrest van 23 juli 1997 in het principaal appel het bestreden eindvonnis vernietigd en bepaald dat de man aan de vrouw dient te betalen ƒ 640,-- per maand in de periode van 31 oktober 1991 tot 1 januari 1993, ƒ 735,-- per maand vanaf 1 januari 1993, ƒ 781,-- per maand vanaf 1 januari 1994 en ƒ 856,-- per maand vanaf 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995, het meer of anders gevorderde ontzegd, en iedere verdere beslissing met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 1995 aangehouden. In het incidenteel appel heeft het Hof het appel verworpen.

Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Tegen de in cassatie niet-verschenen vrouw is verstek verleend.

De man heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van de man heeft bij brief van 7 juli 1999 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De man - een gehuwde, hier te lande wonende Nederlander – is de biologische vader van [de zoon] (hierna: [de zoon]), die op 31 oktober 1991 geboren is in San Diego, Californië. [de zoon] woonde aldaar met zijn Amerikaanse moeder tot omstreeks 1 oktober 1995; sedertdien wonen beiden in de staat Massachusetts.

De onderhoudsverplichting van de man jegens [de zoon] wordt beheerst door het recht van de staat Californië, te weten: door de op 1 januari 1994 in werking getreden California Family Code, § 3900 en volgende.

3.2 Voor de Rechtbank vorderde de vrouw de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 1.000,-- per maand als bijdrage in het levensonderhoud van [de zoon]. De Rechtbank heeft die vordering, na te hebben overwogen dat toepassing van de Californische rechtsregels ter berekening van die bijdrage niet mogelijk was als gevolg van het feit dat de vrouw de van haar verlangde inlichtingen over inkomsten, lasten en de mogelijkheid inkomsten te verwerven niet had verstrekt, toegewezen tot een, naar redelijkheiden billijkheid vastgesteld, bedrag van ƒ 250,-- per maand.

3.3In hoger beroep heeft het Hof in zijn tussenarrest van 18 juli 1996 geoordeeld dat de vrouw alsnog voldoende inzicht had gegeven in haar financiële omstandigheden en leefsituatie om – met het oog op de toepassing van de in § 4055 van de California Family Code opgenomen formule voor de berekening van het onderhoudsbedrag – aannemelijk te achten dat de vrouw niet over een hoger netto inkomen beschikt of kan beschikken dan de man (rov. 4.8), en de man in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over zijn draagkracht in de periode vanaf 31 oktober 1991.

In zijn (eind-)arrest van 23 juli 1997 heeft het Hof in het door de vrouw ingestelde principale beroep het vonnis van de Rechtbank van 24 januari 1995 vernietigd, en de door de man te betalen bijdragen in het levensonderhoud van [de zoon] voor de periode van 31 oktober 1991 tot 1 oktober 1995 vastgesteld op de onder 1 genoemde bedragen, onder aanhouding van iedere verdere beslissing met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 1995. Kort weergegeven en voorzover in cassatie van belang kwam het Hof tot die beslissing na verwerping van 1) een aantal verweren betreffende de wijze waarop genoemde formule diende te worden toegepast, 2) het betoog dat de vrouw beschikte over een hoger netto inkomen in de zin van de California Family Code dan de man, en 3) het beroep van de man op art. 11 lid 2 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973, Trb. 1974 nr. 86 (hierna: het Haags Alimentatieverdrag 1973).

3.4Onderdeel 1 van het middel, dat erover klaagt dat het Hof in zijn eindarrest de op 13 mei 1997 door de man genomen akte niet vermeldt onder de stukken waarvan het na het tussenarrest heeft kennisgenomen, is gegrond. Het kan evenwel wegens gemis aan belang niet tot cassatie leiden. Uit de brief van de voorzitter van de kamer van het Hof die het eindarrest heeft gewezen, welke brief is gehecht aan de schriftelijke toelichting van mr De Vries, blijkt immers dat het niet vermelden van genoemde akte op een misverstand berust, en dat het Hof van dat stuk wel heeft kennisgenomen.

3.5Onderdeel 2 bevat in de eerste plaats een motiveringsklacht tegen het door het Hof in rov. 4.8 van zijn tussenarrest gegeven oordeel dat de vrouw in hoger beroep een met het oog op de toepassing van de formule van § 4055 van de California Family Code voldoende inzicht in haar financiële omstandigheden en leefsituatie heeft gegeven. Deze klacht faalt aangezien dit oordeel in het licht van de door de vrouw bij memorie van grieven in het geding gebrachte stukken niet onbegrijpelijk is; het behoefde ook geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven.

2.6In rov. 8.3 van zijn eindarrest heeft het Hof het in rov. 4.8 van zijn tussenarrest voorts gegeven oordeel, dat aannemelijk was dat de vrouw niet over een hoger netto inkomen beschikte of kon beschikken dan de man, aangemerkt als een eindbeslissing. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het hier betreft een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing waaraan het Hof gebonden is. Deze door het Hof aan zijn tussenarrest gegeven uitleg is, anders dan in het onderdeel wordt betoogd, niet onbegrijpelijk: in rov. 4.9 oordeelt het Hof immers dat het in rov. 4.8 tot en met 4.8.4 overwogene meebrengt dat de eerste grief van de vrouw slaagt, en bovendien gebruikt het Hof in die op de financiële omstandigheden en leefsituatie van de vrouw betrekking hebbende overwegingen niét het woord “voorlopig”, maar in zijn daarop volgende aan de draagkracht van de man gewijde overwegingen wél; een en ander vindt bevestiging in het dictum van het tussenarrest, waarin uitsluitend de man in de gelegenheid wordt gesteld zich (nader) uit te laten en (nadere) opgaven te doen. Gegeven voormelde eindbeslissing, was het Hof niet gehouden in te gaan op hetgeen de man na het tussenarrest nog heeft aangevoerd met betrekking tot de financiële omstandigheden van de vrouw. Uit een en ander volgt dat ook geen der overige klachten van onderdeel 2 doel treft.

2.7 De onderdelen 6, 7 en 8 bouwen voort op onderdeel 2 en slagen daarom evenmin.

3.8Onderdeel 3 bevat in de eerste plaats onder 3.1 klachten die falen omdat zij hetzij voortbouwen op onderdeel 2, hetzij een herhaling daarvan vormen.

Daarnaast bevat het onderdeel klachten, gericht tegen de rov. 8.3.1 en 8.3.2 van het eindarrest, waarbij uit het oog wordt verloren dat die overwegingen – gewijd aan de, in verband met de onder 3.5 genoemde formule van belang zijnde, vraag hoe het netto-inkomen van de vrouw zich verhoudt tot dat van de man - ten overvloede zijn gegeven. Die klachten kunnen derhalve wegens gemis aan belang niet tot cassatie leiden.

In de derde en laatste plaats keert onderdeel 3 zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het Hof, dat hetgeen de vader van de vrouw onverplicht bij wijze van ondersteuning aan het gezin van de vrouw verschaft, gelet op § 4058, aanhef en onder (c) van de California Family Code luidende:

“Annual gross income of parents

(a) The annual gross income of each parent means income from whatever source derived, except as specified in subdivision (c) and includes, but is not limited to, the following:

(…)

(c) Annual gross income does not include any income derived from child support payments actually received, and income derived from any public assistance program, eligibility for which is based on a determination of need. Child support received by a party for children from another relationship shall not be included as part of that party’s gross net income.”, niet een aan de zijde van de vrouw in aanmerking te nemen inkomensbestanddeel is. Deze klacht kan niet tot cassatie leiden omdat ’s Hofs daardoor bestreden uitleg vanhet recht van de staat Californië niet onbegrijpelijk is.

3.9 Onderdeel 10 keert zich tegen de verwerping van het door de man gedane beroep op art. 11 lid 2 van het Haags Alimentatieverdrag 1973 in rov. 8.5.3 van het eindarrest. Het betoogt dat die verwerping blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het feit dat bij de bepaling van de kinderalimentatie volgens het Californische recht niet alleen met de behoefte van de alimentatiegerechtigde, maar ook met de draagkracht van de alimentatieplichtige wordt rekening gehouden, niet een voldoende reden vormt voor verwerping van een beroep op art. 11 lid 2. Dit betoog, dat erin uitmondt dat de rechter steeds dient na te gaan of het resultaat waartoe de toepasselijke wet leidt redelijk is, kan echter niet als juist worden aanvaard. Genoemde verdragsbepaling moet zo worden uitgelegd dat indien het toepasselijke recht voorziet in een afweging van draagkracht en behoefte, dit recht in volle omvang dient te worden toegepast. Ook onderdeel 10 faalt derhalve.

3.10 De onderdelen 4, 5, 9 en 11 falen op de gronden onderscheidenlijk vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda onder 23, 25 en 26, 30 en 31, en 35.

4.Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Herrmann, Jansen, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 5 november 1999.