Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2929

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-10-1999
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
34732
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/427 met annotatie van J.E.A.M. VAN DIJCK
V-N 1999/49.11 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 september 1998 betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 626.594,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 280.934,--.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 139.944,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep van belanghebbende bestreden.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende exploiteerde in de vorm van een eenmanszaak een hotel te Q. Op 26 september 1988 heeft belanghebbende het hotelpand tegen een in de overeenkomst als schadeloosstelling aangeduide vergoeding van f 294.500,-- verkocht aan de gemeente Q. De overdracht van het pand aan de gemeente en de betaling van een bedrag van f 250.000,-- aan belanghebbende hebben in 1989 plaatsgevonden. Belanghebbende heeft na de overdracht het pand van de gemeente gehuurd tot 1 september 1991, op welke datum belanghebbende zijn onderneming heeft gestaakt. Belanghebbende heeft bij die gelegenheid de bedrijfsmiddelen verkocht voor een bedrag van in totaal f 12.460,--. De gemeente heeft in 1991 het resterende gedeelte van de schadeloosstelling ad f 44.500,-- aan belanghebbende voldaan. Daarmee kwam de opbrengst in verband met staking uit op f 306.960,--.

3.1.2. Van het in 1989 ontvangen bedrag heeft belanghebbende f 223.975,-- aangewend voor de aankoop van een café-restaurant in R per 1 juni 1989. Aanvankelijk exploiteerde hij dit bedrijf als een eenmanszaak en vanaf 12 oktober 1991 in de vorm van een vennootschap onder firma met zijn echtgenote. Met ingang van 1 januari 1992 is deze onderneming met toepassing van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) ingebracht in A B.V. De B.V. is op 29 januari 1992 tot stand gekomen.

3.1.3. Belanghebbende heeft de gehele van de gemeente Q ontvangen schadeloosstelling in 1991 gerekend tot de stakingswinst van het hotelbedrijf. De stakingswinst bedroeg, na aftrek van de stakingsvrijstelling van f 20.000,-- van artikel 8, lid 1, onderdeel d, van de Wet, f 236.500,--.

3.1.4. Belanghebbende heeft met de B.V. een stamrechtovereenkomst gesloten, waarbij hij tegen storting van een bedrag van f 236.500,-- een recht op periodieke uitkeringen van de B.V. als bedoeld in artikel 19 van de Wet (tekst 1991) heeft bedongen, ingaande op de datum van totstandkoming van de B.V. en eindigende bij zijn overlijden en voor 70% overgaande op zijn echtgenote (hierna: het stamrecht). Met valutadatum 31 januari 1992 heeft hij het bedrag van f 236.500,-- op de bankrekening van de B.V. gestort.

3.1.5. In de aangifte voor het jaar 1991 heeft belanghebbende de waarde van het stamrecht van f 236.500,-- in mindering gebracht op de stakingswinst. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift heeft de Inspecteur de stamrechtvrijstelling slechts toegestaan tot een bedrag van f 82.985,--, zijnde het verschil tussen de totale opbrengst bij staking (f 306.960,--) en het in het bedrijf in R geïnvesteerde bedrag (f 223.975,--).

4. Beoordeling van de door de Staatssecretaris voorgestelde middelen van cassatie

4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het stamrecht in rechtstreeks verband met de staking van belanghebbendes onderneming is bedongen en dat deswege f 223.975,-- ten laste van de stakingswinst kan worden gebracht. Het heeft daartoe overwogen: dat van de stakingswinst van f 236.500,-- een bedrag van f 223.975,-- is aangewend voor bedrijfsdoeleinden en uiteindelijk ten goede is gekomen aan de B.V.; dat deze aanwending hierin heeft bestaan dat genoemd bedrag is besteed aan de aankoop van het café-restaurantbedrijf te R, van welke onderneming alle bezittingen en schulden zijn ingebracht in de B.V.; dat artikel 19 van de Wet niet slechts toepassing kan vinden, indien de gelden die beschikbaar zijn gekomen uit de verkoopopbrengst van de onderneming fysiek worden afgezonderd en niet worden vermengd; dat het niet een redelijke toepassing van artikel 19 van de Wet zou zijn, indien belanghebbende het bedrag van de in 1989 ontvangen schadeloosstelling beschikbaar zou moeten houden om te dienen tot betaling van de koopsom voor het stamrecht na de staking van zijn onderneming in 1991, terwijl hij tegelijkertijd het bedrag voor de investering in een nieuwe onderneming zou moeten lenen.

4.2. Middel II, dat zich tegen deze oordelen richt, strekt ten betoge dat belanghebbende van de in contanten ontvangen stakingswinst voormeld bedrag van f 223.975,-- niet heeft aangewend voor de verwerving van het stamrecht en dat om die reden tot dat bedrag geen beroep op de stamrechtvrijstelling kan worden gedaan, indien de koopsom voor het stamrecht is schuldig gebleven.

4.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de omstandigheid dat de koopsom voor een stamrecht als bedoeld in artikel 19 van de Wet (tekst 1991) wordt schuldig gebleven op zichzelf beschouwd aan het bestaan van het in dat artikel geëiste rechtstreekse verband niet in de weg behoeft te staan. Het Hof heeft zonder schending van het bepaalde in dat artikel kunnen oordelen dat aan dat rechtstreekse verband evenmin wordt afgedaan door de omstandigheid dat belanghebbende voormeld bedrag van f 223.975,-- heeft aangewend voor de aankoop van een café-restaurantbedrijf te R, in aanmerking genomen dat - naar in cassatie niet wordt bestreden - van deze onderneming alle bezittingen en schulden zijn ingebracht in de B.V., zodat meervermeld bedrag uiteindelijk ten goede is gekomen aan de B.V. Het middel faalt derhalve.

4.4. Middel I richt zich tegen het oordeel van het Hof dat - kort gezegd - inhoudt dat belanghebbende de koopsom van het stamrecht niet is schuldig gebleven. Uit het in 4.3 overwogene volgt dat dit middel geen behandeling behoeft.

5. Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel van cassatie

5.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het subsidiaire standpunt van belanghebbende dat de Resolutie van 5 augustus 1987, nr. DB87/3354, BNB 1987/259, toepassing dient te vinden reeds faalt, omdat is gesteld noch gebleken dat bij belanghebbende op 1 september 1991, de datum waarop de boekwinst werd behaald, of tegen het einde van dat jaar, de bedoeling heeft voorgezeten de reeds plaatsgehad hebbende investering in het café-restaurantbedrijf in R aan te merken als vervangende investering.

5.2. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, faalt derhalve.

6. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt zowel het beroep van belanghebbende als dat van de Staatssecretaris.

Dit arrest is op 20 oktober 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Hammerstein, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een recht geheven van f 340,--.