Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2920

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-11-1999
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
34829
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA2920
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2000, 21150
BNB 2000/23 met annotatie van J.W. Zwemmer
FED 1999/678
WFR 1999/1544, 1
V-N 1999/53.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 3 augustus 1998 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd naar een verkrijging van f 87.500,-- welke naheffingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 25 mei 1999 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Bij notariële akte van 1 september 1995 hebben belanghebbende en zijn echtgenote (in de akte tezamen aangeduid als “koper”), ieder voor een gelijk deel, van de vader van laatstgenoemde een woonhuis met toebehoren gekocht, zulks voor de prijs van f 175.000,-- en onder, voor zover thans van belang, de volgende bepalingen:

“Deze akte is geen akte van levering die de overdracht van het verkochte kan bewerkstelligen.

BEZITSVERSCHAFFING/RISICO

Het verkochte behoort met ingang van het tijdstip van ondertekening van deze akte in economische zin aan koper als bezitter toe, zodat vanaf dat moment bij hem het belang bij het verkochte berust, de baten de koper ten goede komen en de lasten voor zijn rekening zijn. Vanaf gemeld tijdstip komen met name ook voordelen of nadelen, voortvloeiende uit vervreemding van het verkochte aan derden, te zijnen bate en te zijnen laste. Het risico van het tenietgaan van het verkochte blijft bij verkoper.

Verkoper is in verband met het bovenstaande verplicht de in artikel 174 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aansprakelijkheid van de bezitter van een opstal te verzekeren en verzekerd te houden bij een solide verzekeringsmaatschappij.

STAAT VAN HET VERKOCHTE

De aflevering en aanvaarding van het verkochte vindt plaats in de staat waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koop bevond. Het verkochte wordt geacht thans in dezelfde staat te verkeren als ten tijde van de koop.

TIJDSTIP AFLEVERING EN AANVAARDING

De aflevering en aanvaarding van het verkochte vinden plaats onmiddellijk na de ondertekening van deze akte.

(...)

BEPALINGEN TERZAKE VAN DE TOEKOMSTIGE LEVERING EN OVERDRACHT

a. De voor overdracht van het verkochte vereiste levering zal plaatsvinden op eerste verzoek van koper (...).

b. (...) Bij de levering zal het risico overgaan op koper.”

3.2. Het Hof heeft de vraag of de in de akte neergelegde overeenkomst heeft bewerkstelligd dat belanghebbende (voor de helft) de economische eigendom van de verkochte zaak in de zin van artikel 2, lid 2, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet) heeft verkregen, ontkennend beantwoord op de grond dat het door belanghebbende verkregen samenstel van rechten en verplichtingen niet een belang vertegenwoordigt dat ten minste enig risico van tenietgaan omvat.

3.3. Het middel bestrijdt dit oordeel en betoogt dat de in artikel 2, lid 2, van de Wet gestelde eis dat de verkrijger ten minste enig risico van het tenietgaan draagt, moet worden bezien in onderlinge samenhang met de eis dat hij enig risico draagt van waardeverandering van de zaak, en met het totale samenstel van overeengekomen rechten en verplichtingen.

3.4. Bij de beoordeling van dit betoog moet worden vooropgesteld dat - naar uit de in onderdeel 3.1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2, lid 2, van de Wet blijkt - de wetgever enerzijds heeft beoogd het begrip economische eigendom ruim te definiëren teneinde zoveel mogelijk het ontgaan van overdrachtsbelasting door constructies te voorkomen, maar anderzijds in die definitie twee elementen heeft opgenomen - het risico van waardeverandering en het risico van tenietgaan - welke elementen, aldus de Memorie van Toelichting, de essentie van de definitie vormen, waaraan is toegevoegd: “Indien aan een van beide criteria niet is voldaan, kan niet worden gesproken van economische eigendom.”

3.5. Dit een en ander brengt mede dat, nu naar ‘s Hofs oordeel uit de akte niet de conclusie kan worden getrokken dat belanghebbende door overdracht enig rechtstreeks gelopen risico van tenietgaan van de woning heeft verkregen, het Hof terecht heeft aangenomen dat de akte niet heeft bewerkstelligd dat belanghebbende (voor de helft) de economische eigendom in de zin van artikel 2, lid 2, van de Wet heeft verkregen.

3.6. Dat wordt niet anders indien men, zoals volgens het middel geboden is, de eis dat de verkrijger ten minste enig risico van tenietgaan draagt, beziet in onderlinge samenhang met de eis dat hij enig risico draagt van waardeverandering van de zaak, en met het totale samenstel van overeengekomen rechten en verplichtingen. Zulks neemt immers niet weg dat de eerstgenoemde eis zelfstandige betekenis heeft naast de laatstgenoemde eis en dat, nu de wetgever uitdrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat, wil sprake zijn van economische eigendom, aan beide vereisten moet zijn voldaan, de economische eigendom in de zin van deze wet niet overgaat op een ander dan de juridische eigenaar, indien die ander niet ten minste enig risico van tenietgaan van de zaak verkrijgt.

3.7. Het vorenoverwogene brengt mede dat het middel, voorzover het op het hiervoor weergegeven betoog steunt, tevergeefs is voorgesteld.

3.8. Voorzover het middel zich richt tegen ‘s Hofs oordeel dat uit de akte niet de conclusie kan worden getrokken dat belanghebbende door overdracht enig rechtstreeks gelopen risico van tenietgaan van de woning heeft verkregen, faalt het eveneens. Dit op een uitleg van de akte steunende oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.9. De overige in het middel vervatte klachten falen op de gronden vermeld in onderdeel 4.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 3 november 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Korthals Altes, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fase, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt terzake van dit beroep een recht geheven van f 340,--