Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2914

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34714
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 4
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 1999/916
BNB 1999/443
FED 1999/627
FED 2000/78 met annotatie van Redactie
WFR 1999/1347
V-N 1999/48.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 7 augustus 1998 betreffende na te melden aan de gemeente Groningen (Hulpverleningsdienst) te Groningen opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 december 1991 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 15.848,--, zonder verhoging.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak alsmede de naheffingsaanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatie-beroep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Ter uitvoering van de op haar krachtens de Brandweerwet rustende verplichting zorg te dragen voor bovengemeentelijke brandweertaken heeft de provincie Groningen - in het kader van de Wet gemeenschappelijke regelingen - de zogenoemde Regionale Brandweer Groningen (hierna: de regionale brandweer) in het leven geroepen. De regionale brandweer verricht vorenbedoelde taken. Een van die taken betreft het instellen van en operationeel uitvoering geven aan een gemeenschappelijke - centrale - meldkamer.

Ten tijde van de instelling van de regionale brandweer zijn personeelsleden die aanvankelijk werkzaam waren bij de gemeentelijke korpsen, in dienst getreden van de regionale brandweer. Vier personen die werkzaam waren op de meldkamer, zogenoemde centralisten, bleven echter in dienst bij belanghebbende en werden door haar op uitleenbasis ter beschikking gesteld aan de regionale brandweer om te werken op de centrale meldkamer.

Belanghebbende heeft met het in dienst houden en op uitleenbasis aan de regionale brandweer ter beschikking stellen van haar centralisten geen ander doel beoogd dan het verzekeren van de rechtspositie van die centralisten (de mogelijkheid voor hen om op 55-jarige leeftijd met functioneel leeftijdsontslag te gaan, onder doorbetaling van het salaris). Indien zij in dienst waren getreden bij de regionale brandweer zouden deze rechtspositionele voordelen hun zijn ontvallen. De vergoeding die door de regionale brandweer aan belanghebbende wordt verstrekt voor het uitlenen van de centralisten is - behoudens een geringe kostentoeslag in verband met de salarisadministratie - gelijk aan de loonbetalingen door belanghebbende aan de centralisten.

De Inspecteur heeft bij de onderhavige naheffings-aanslag omzetbelasting geheven ter zake van het uitlenen van centralisten door belanghebbende aan de regionale brandweer.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de onderhavige prestaties zijn aan te merken als activiteiten welke in het economisch verkeer zijn verricht, nu deze zonder zakelijke belangen door belanghebbende worden uitgevoerd. Het Hof heeft daartoe overwogen: dat het een overgangsregeling betreft die alleen maar in het leven is geroepen ten behoeve van een viertal centralisten; dat vaststaat dat er ten tijde van ‘s Hofs uitspraak nog maar twee van hen bij belanghebbende in dienst zijn en dat nieuw personeel in dienst komt (is gekomen) van de regionale brandweer en dat laatstgenoemde vervolgens zorg draagt (heeft gedragen) voor de opleiding van dat nieuwe personeel; dat bovendien dient te worden bedacht dat het gaat om prestaties tussen twee overheidsorganen ten aanzien van centralisten die zowel aanvankelijk - ten behoeve van de gemeentelijke korpsen - als later - ten behoeve van de regionale brandweer - werkzaamheden verrichten in het kader van het specifiek voor de overheid geldende juridische regime.

3.3. Het middel kan niet tot cassatie leiden. De feiten laten immers geen andere gevolgtrekking toe dan dat de onderhavige prestaties van belanghebbende nog een uitvloeisel zijn van de destijds door haar uitgeoefende overheidstaak, te weten het uitvoeren van brandweertaken, zodat belanghebbende ter zake van die prestaties niet als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 optreedt.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 6 oktober 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren De Moor, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep in cassatie een recht geheven van f 340,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van f 150,-- dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak, zodat nog resteert te betalen f 190,--.