Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2845

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34547
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 21 (oud), geldigheid: 1999-08-24
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 52, geldigheid: 1999-08-24
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 58, geldigheid: 1999-08-24
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 7 (oud), geldigheid: 1999-08-24
Wet op de dividendbelasting 1965 3, geldigheid: 1999-08-24
Wet op de dividendbelasting 1965 4a, geldigheid: 1999-08-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/49
FED 1999/546
FED 1999/637
WFR 1999/1121
V-N 1999/38.2

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 11 juni 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de dividendbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1992 een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd ten bedrage van f 91.666,-- aan enkelvoudige belasting met een verhoging van honderd procent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding tot op 25 percent heeft verleend. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de kwijtschelding gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de naheffingsaanslag heeft verminderd tot f 68.750,-- aan enkelvoudige belasting, met toepassing van een verhoging van f 17.187,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie.

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De aandelen in belanghebbende worden sedert 16 maart van het onderhavige jaar (1992) gehouden door de vennootschap naar Liechtensteins recht E A.G. (hierna: E).

Belanghebbende heeft in 1992 tot een bedrag van in totaal f 275.000,-- betalingen aan E gedaan, die zij in haar boekhouding als “dividend” heeft geboekt.

De Inspecteur heeft deze betalingen aangemerkt als uitdelingen van winst als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel a, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (tekst 1992; hierna: de Wet) en vervolgens de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

3.2. Belanghebbende heeft zich voor het Hof in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat genoemde betalingen ten onrechte zijn geboekt als dividend, want zijn gedaan ingevolge een tussen belanghebbende en E op 16 maart 1992 gesloten overeenkomst van geldlening.

Subsidiair heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld: dat geen sprake is van een vermogensverschuiving van belanghebbende naar E; dat immers, zo de betalingen waren bedoeld als uitkeringen van dividend, belanghebbende van die bedoeling is teruggekomen door het bedrag van f 275.000,-- met terugwerkende kracht aan te merken als een lening; dat voorts de statuten van belanghebbende niet toestaan dat tussentijds uitkeringen van dividend worden gedaan; dat de onderhavige betalingen mitsdien op grond van het bepaalde in artikel 2:216, lid 4, jo. artikel 2:14, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek nietig waren en moesten worden terugbetaald.

Meer subsidiair heeft belanghebbende zich voor het Hof op het standpunt gesteld: dat, zo er sprake is van betalingen van dividend, op grond van het bepaalde in de artikelen 4a en 4b van de Wet terecht inhouding van dividendbelasting achterwege is gelaten; dat in zoverre in die bepalingen een onderscheid wordt gemaakt naar het recht van oprichting, sprake is van een ingevolge de artikelen 7, 52 en 58 EG-Verdrag jo. artikel 25 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van andere regelen verband houdende met de belastingheffing (hierna: het Verdrag) verboden discriminatie naar nationaliteit.

Nog meer subsidiair heeft belanghebbende zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat, zo er sprake is van betalingen van dividend, Nederland het brutobedrag van dat dividend, gelet op het bepaalde in artikel 10, paragraaf 1 en paragraaf 2, aanhef en onder A 1°, van het Verdrag, slechts tot ten hoogste 5 percent in de belastingheffing mag betrekken, nu E op grond van het bepaalde in artikel 4, paragraaf 1, van het Verdrag als inwoonster van België moet worden aangemerkt.

Ten slotte heeft belanghebbende zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat de verhoging tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat haar geen grove schuld kan worden verweten, aangezien zij een pleitbaar standpunt heeft ingenomen.

3.3. Het Hof heeft ten aanzien van belanghebbendes primaire standpunt, voorzover in cassatie van belang, geoordeeld: dat de in 3.1 van zijn uitspraak vermelde feiten en omstandigheden het vermoeden wettigen dat door belanghebbende in artikel 3, lid 1, onderdeel a, van de Wet bedoelde uitdelingen van winst zijn gedaan; dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd voormeld vermoeden niet heeft weerlegd; dat op grond van de in 's Hofs uitspraak nader aangeduide, door de Inspecteur gestelde en door belanghebbende onvoldoende weersproken feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat de door belanghebbende overgelegde overeenkomst van geldlening pas na 1992 is gesloten.

In zoverre de middelen tegen laatst vermeld oordeel opkomen, kunnen zij niet tot cassatie leiden, aangezien dit oordeel, als berustend op de aan het Hof voorbehouden waardering van hetgeen partijen voor het Hof hebben aangevoerd en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.

3.4. Het Hof heeft ten aanzien van belanghebbendes subsidiaire standpunt geoordeeld: dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat na 1992 het hiervóór in 3.1 bedoelde bedrag van f 275.000,-- ten titel van aflossing op een geldlening dan wel ten titel van verplichte terugbetaling van ten onrechte ontvangen bedragen aan belanghebbende is terugbetaald, niet meebrengt dat in 1992 geen sprake is geweest van de hiervóór in 3.3 bedoelde uitdelingen. Hierin ligt besloten het oordeel dat, ook indien de aan de hiervóór in 3.1 bedoelde betalingen ten grondslag liggende besluiten nietig waren wegens strijd met te dezen toepasselijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en om die reden E na 1992 f 275.000,-- aan belanghebbende heeft terugbetaald, zulks niet eraan in de weg staat dat die betalingen uitdelingen van winst zijn als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel a, van de Wet.

Dit oordeel is juist, hetgeen meebrengt dat de middelen, in zoverre zij tegen dit oordeel opkomen, tevergeefs zijn voorgesteld.

3.5. Het Hof heeft ten aanzien van belanghebbendes meer subsidiaire standpunt geoordeeld: dat het beroep dat belanghebbende heeft gedaan op artikel 4a van de Wet reeds niet opgaat, omdat niet is voldaan aan het in lid 1, onder 1°, van die bepaling gestelde vereiste dat het ontvangende lichaam een in de bijlage bij de zogenoemde Moeder-dochterrichtlijn – Richtlijn 90/435/EEG (tekst 1992) – opgenomen rechtsvorm heeft, ook al is, naar belanghebbende heeft gesteld, de rechtsvorm van E te vergelijken met de rechtsvormen die in bedoelde bijlagen zijn vermeld; dat voorts, nu in casu het ontvangende lichaam naar het recht van Liechtenstein is opgericht en Liechtenstein geen deel uitmaakt van de Europese Unie, niet valt in te zien dat voormeld in artikel 4a van de Wet opgenomen vereiste, dat is ontleend aan voormelde richtlijn, een ingevolge de artikelen 7, 52 en 58 van het EG-Verdrag jo. het bepaalde in artikel 25 van het Verdrag een verboden discriminatie naar nationaliteit oplevert.

Deze oordelen zijn, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, juist. In zoverre de middelen tegen die oordelen opkomen, zijn zij derhalve eveneens tevergeefs voorgesteld.

3.6. Het Hof heeft ten aanzien van belanghebbendes nog meer subsidiaire standpunt geoordeeld dat belanghebbende met hetgeen zij dienaangaande heeft gesteld en aan stukken heeft overgelegd, onvoldoende gegevens heeft verstrekt, waaruit blijkt dat E in België is gevestigd. Hierin ligt besloten het oordeel dat belanghebbende onvoldoende heeft aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat E ingevolge de wetten van België aldaar een belasting is onderworpen op grond van een in artikel 4, paragraaf 1, van het Verdrag vermelde omstandigheid.

Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste verdeling van de bewijslast en kan als berustend op de aan het Hof voorbehouden waardering van hetgeen belanghebbende heeft gesteld en aan stukken heeft overgelegd, en niet onbegrijpelijk voor het overige in cassatie niet met vrucht worden bestreden. In zoverre de middelen tegen dit oordeel opkomen respectievelijk uitgaan van de onjuistheid van dit oordeel, kunnen zij derhalve niet tot cassatie leiden.

3.7. Ten aanzien van de aan belanghebbende opgelegde verhoging heeft het Hof ten eerste geoordeeld: dat belanghebbende wist, althans behoorde te weten dat onder de omstandigheden van dit geval inhouding van dividendbelasting had moeten plaatsvinden; dat het door dit na te laten aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is betaald; dat de verhoging mitsdien terecht is opgelegd; dat van een pleitbaar standpunt geen sprake is. Hierin ligt besloten het oordeel dat belanghebbende door het standpunt in te nemen dat zij geen dividendbelasting behoefde in te houden dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst; het is ook niet on-begrijpelijk. In zoverre de middelen tegen dit oordeel opkomen, falen zij derhalve.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat in het onderhavige geval niet kan worden gezegd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden.

Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst; het is ook niet onbegrijpelijk. In zoverre de middelen ten slotte tegen dit oordeel opkomen, falen zij derhalve eveneens.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 24 augustus 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Hammerstein, van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken