Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2842

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34331
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/392
FED 1999/543
WFR 1999/1118
V-N 1999/38.8

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 23 februari 1998 betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 62.792,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat de aanslag heeft verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 59.521,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep gedeeltelijk bestreden en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende dreef samen met zijn thuiswonende, 25-jarige zoon een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de vof). De vof koopt schade-auto’s in, welke, na reparatie, weer worden verkocht. Op de begin- en eindbalans van de vof voor het onderhavige jaar staan alle tot het ondernemingsvermogen te rekenen auto’s onder de post "handelsvoorraad" vermeld. Van geen enkele auto werd een kilometeradministratie bijgehouden. De Inspecteur heeft in verband met het feit dat er in de kring van de vof een drietal potentiële gebruikers waren, te weten belanghebbende, zijn echtgenote en zijn zoon, het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen verhoogd met een bijtelling - op grond van artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) - voor drie personenauto’s.

3.2. Het Hof heeft, voorzover in cassatie van belang, geoordeeld: dat belanghebbende middels de vof meerdere personenauto’s hield in de zin van artikel 42, lid 2, van de Wet; dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat het privé-gebruik van enige door hem gehouden personenauto minder dan 1000 kilometer heeft belopen; dat de auto’s in redelijkheid de mogelijkheid tot privé-gebruik boden; dat de bijtelling terecht is toegepast; dat het feit dat de auto’s door belanghebbende tot de handelsvoorraad werden gerekend niet aan dit oordeel afdoet.

3.3. De middelen strekken ten betoge dat een ondernemer de tot zijn handelsvoorraad behorende personenauto’s niet houdt in de zin van artikel 42, lid 2, van de Wet, aangezien deze personenauto’s vanwege de beperkingen van de gebruiksmogelijkheden die voortvloeien uit de wettelijke voorschriften inzake als handelsvoorraad gehouden personenauto’s, niet in redelijkheid de mogelijkheid tot privé-gebruik bieden. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. De regeling van artikel 42, lid 2, van de Wet geldt voor de kosten verbonden aan tot het ondernemingsvermogen behorende personenauto’s, ongeacht of zij moeten worden gerekend tot de bedrijfsmiddelen dan wel tot de handelsvoorraad en ongeacht de gebruiksmogelijkheden. De evenbedoelde beperkingen van de gebruiksmogelijkheden vormen ook geen reden voor een andere bewijslastverdeling dan voortvloeit uit artikel 42, lid 5, van de Wet. De middelen falen derhalve in zoverre.

Die beperkingen vormen wel een omstandigheid die de feitenrechter in aanmerking dient te nemen bij de waardering van het ingevolge het bepaalde in artikel 42, lid 5, van de Wet door belanghebbende bij te brengen bewijs dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. Nu uit ’s Hofs uitspraak niet blijkt dat het Hof deze beperkingen in aanmerking heeft genomen, bij zijn oordeel dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat in het onderhavige jaar het privé-gebruik door hem van enige door hem gehouden personenauto minder dan 1000 kilometer heeft belopen, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het onvoldoende gemotiveerd. Voor het overige zijn de middelen derhalve gegrond. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en omtrent de proceskosten;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 24 augustus 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken