Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2826

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34421
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5, geldigheid: 1999-07-20
Algemene wet inzake rijksbelastingen 23, geldigheid: 1999-07-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2000, 21139
BNB 1999/437
WFR 1999/1008, 1
V-N 1999/34.5

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 mei 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1989 tot en met 31 december 1991 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 6.259,-- aan enkelvoudige belasting en f 3.129,-- aan verhoging. In het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is belanghebbende bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiƫn heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: De Inspecteur heeft op 8 augustus 1994 het openbare gedeelte van een controlerapport (hierna: het controlerapport) toegezonden aan belanghebbendes toenmalige gemachtigde. Laatstgenoemde heeft bij brief van 19 augustus 1994 uitstel gevraagd voor het geven van een reactie op dat rapport tot 1 november 1994. Hij stelt vervolgens bij brief van 31 oktober 1994 aan de Inspecteur bezwaren kenbaar te hebben gemaakt tegen het controlerapport, in welke brief is verzocht 'alvorens verdere aanslagen en boetes op te leggen, ons te willen horen'. De onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van het controlerapport en het aanslagbiljet draagt als dagtekening 26 oktober 1994. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de voormelde brief van 31 oktober 1994, gelet op de aanhef, 'bezwaar inzake boekenonderzoek', kennelijk de reactie op het controlerapport is en niet beoogt te zijn een bezwaarschrift tegen de onderhavige naheffingsaanslag. 3.3. Het middel treft doel voorzover het zich tegen dit oordeel keert. Indien een belastingplichtige door middel van een brief aan de inspecteur bezwaren kenbaar maakt tegen een controlerapport, kan zulks in de regel niet anders worden opgevat dan dat die belastingplichtige daarmee tevens een bezwaarschrift indient tegen op grond van dat controlerapport opgelegde aanslagen, mits deze aanslagen reeds zijn vastgesteld, dan wel nog niet zijn vastgesteld, maar de belastingplichtige redelijkerwijs kon menen dat dit wel het geval was. Gelet op de dagtekening van het onderhavige aanslagbiljet en in aanmerking genomen dat uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt van omstandigheden die aanleiding geven tot een afwijking van voormelde regel, had de Inspecteur de voormelde brief van 31 oktober 1994 moeten opvatten als een bezwaarschrift tegen de onderhavige naheffingsaanslag. 3.4. Hetgeen het middel voor het overige aanvoert, kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.5. In verband met het in 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nader onderzoek inzake de stelling van de Inspecteur dat de voormelde brief van 31 oktober 1994 nooit is verzonden, althans niet door hem is ontvangen en - afhankelijk van de uitkomst van dat onderzoek - voor behandeling van de inhoudelijke geschilpunten.

4. Proceskosten Gelet op de kostenveroordeling in de samenhangende zaak onder nummer 34.422 is voor een afzonderlijke kostenveroordeling in deze zaak geen plaats. De vraag of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend, zal door het verwijzingshof worden beoordeeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's- Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; gelast dat door de Staatssecretaris aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.

Dit arrest is op 20 juli 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Hammerstein en Van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hoof, en op die datum in het openbaar uitgesproken.