Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2824

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34422
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5, geldigheid: 1999-07-20
Algemene wet inzake rijksbelastingen 2, geldigheid: 1999-07-20
Invorderingswet 1990 2 (oud), geldigheid: 1999-07-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2000, 21140
BNB 1999/438
WFR 1999/1009
V-N 1999/34.6

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 mei 1998 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van f 25.842,-- is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 182.064,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100 percent, van welke verhoging bij besluit van de Inspecteur tot op 50 percent kwijtschelding is verleend. In het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is belanghebbende bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Het met betrekking tot de onderhavige navorderingsaanslag opgemaakte aanslagbiljet draagt als dagtekening 9 december 1994. De navorderingsaanslag is opgelegd overeenkomstig de uitkomsten van het door de Inspecteur bij belanghebbende ingestelde boekenonderzoek. Het onderzoek betrof de aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 1988 tot en met 1991 en de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1989 tot en met 31 december 1991. 3.1.2. Het ter zake van het boekenonderzoek opgemaakte rapport van 3 augustus 1994 vermeldt onder "12. Slotopmerkingen": "De gevolgen van het boekenonderzoek heb ik besproken met de nieuwe consulent de heer A. De heer A gaat vooreerst niet akkoord met de in dit rapport opgenomen correcties, doch kan nog niet met gegevens komen, waaruit zou moeten blijken, dat de toegepaste correcties onjuist zijn. Reden hiervan is, dat de de boekhouding nog onder berusting is van de vorige consulent en het wegens vakantie nog enige tijd kan duren voordat deze stukken worden overgedragen. In verband met de verjaring kan hierop echter niet worden gewacht. Ik heb derhalve met de heer A afgesproken het boekenonderzoek thans af te werken en op de correcties eventueel terug te komen in de bezwaarfase.". 3.1.3. Bij brief van 20 december 1994, gericht aan de 'Belastingdienst Ondernemingen' te P, heeft belanghebbendes toenmalige gemachtigde verzocht om uitstel van betaling voor onder meer de onderhavige navorderingsaanslag. In evenvermelde brief is dat verzoek als volgt toegelicht: "Het uitstel wordt gevraagd voor periode tot uitspraak is gedaan, inzake het deze maand in te leveren bezwaar.". 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de aankondiging in de voormelde brief van 20 december 1994, dat op korte termijn een bezwaarschrift tegen onder meer de onderhavige navorderingsaanslag zal worden ingediend, niet kan worden begrepen onder het indienen van een bezwaarschrift. 3.3. Het middel treft doel voorzover het zich tegen dit oordeel keert. In het licht van de inhoud van eerdervermeld rapport, zoals hiervóór in 3.1. weergegeven, kan de brief van 20 december 1994 niet anders worden opgevat dan dat belanghebbende daarmee kennis geeft dat hij bezwaar heeft tegen de onderhavige navorderingsaanslag. Ingevolge artikel 19, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst is het hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen te P inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen onderscheidenlijk artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990. Een en ander brengt mee dat de voormelde brief van 20 december 1994 moet worden aangemerkt niet alleen als een tot de Ontvanger gericht verzoek om uitstel van betaling, maar tevens als een aan de Inspecteur gericht (pro-forma)bezwaarschrift. 3.4. Belanghebbende is derhalve ten onrechte niet- ontvankelijk in zijn bezwaar verklaard. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een behandeling van de inhoudelijke geschilpunten.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie voor de onderhavige zaak en de daarmee samenhangende zaken nummers 34421, 34423 en 34424 redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld. De vraag of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend, zal door het verwijzingshof worden beoordeeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's- Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van de gedingen in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 4.260,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 20 juli 1999 vastgesteld door de vice- president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Hammerstein en Van Amersfoort, in de tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar.