Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2806

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
33583
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 32d (oud), geldigheid: 1999-07-09
Wet op de loonbelasting 1964 26a (oud), geldigheid: 1999-07-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/336
V-N 1999/33.22

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uit spraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 juli 1997 betreffende na te melden beschikking ingevolge artikel 32d, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1987), waarbij belanghebbende aansprakelijk is gesteld voor niet betaalde loonbelasting.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof De Inspecteur heeft bij beschikking van 9 juni 1989 belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een bedrag van f 36.528, bestaande uit f 6.567 aan enkelvoudige loonbelasting en f 29.961,-- aan verhoging wegens de door A te Q niet betaalde loonbelasting, welke aansprakelijkstelling, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en het bedrag waarvoor belanghebbende aansprakelijk is nader vastgesteld op f 23.574,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend, waarin hij zich onder meer op het standpunt stelt dat de middelen I, III en IV doel treffen. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.J.Y. Kleingeld, advocaat te Naaldwijk.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. Middel II is gericht tegen 's Hofs oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de door A BV verschuldigde loonbelasting, voorzover deze is berekend naar het in arikel 26a van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1987) (hierna: de Wet) genoemde tarief van 40 percent (het anoniementarief), slechts van belang is of bij de inhoudingsplichtige de namen, adressen en woonplaatsen van de aan belanghebbende door haar ter beschikking gestelde werknemers bekend waren en dat derhalve de door belanghebbende voor het Hof overgelegde lijst van werknemers niet van belang is. Dit oordeel is juist. Tekst, doel, noch strekking van de Wet bieden steun voor de andersluidende opvatting van belanghebbende. Onder omstandigheden kan deze wetstoepassing jegens de aansprakelijkgestelde tot een onbillijk resultaat leiden. Hieraan kan evenwel slechts in de uitvoeringssfeer worden tegemoetgekomen. Het middel faalt derhalve. 3.2. Het Hof heeft in onderdeel 1.1 van zijn uitspraak vastgesteld - zulks in overeenstemming met de tekst van de beschikking inzake aansprakelijkstelling - dat belanghebbende door de Inspecteur aansprakelijk is gesteld voor een door A BV verschuldigd bedrag aan enkelvoudige loonbelasting van f 6.567 alsmede voor een bedrag aan door A BV belopen verhoging. Die vaststelling is in cassatie niet bestreden. Uit de tot de gedingstukken behorende brief van 29 maart 1995 van de Inspecteur aan het Hof blijkt dat de Inspecteur de aansprakelijkstelling voor de door A BV belopen verhoging in het geding niet heeft gehandhaafd. Nu een en ander geen andere conclusie toelaat dan dat na die brief nog slechts de aansprakelijkstelling van f 6.567 voor de enkelvoudige belasting in geding was, had het Hof bij zijn uitspraak het bedrag van de aansprakelijkstelling niet mogen vaststellen op een hoger bedrag (namelijk f 23.574). Middel III, dat daarover klaagt, is derhalve gegrond. 3.3. Belanghebbende heeft bij middel I geen belang omdat ook als dat gegrond zou zijn, zulks mede gelet op het falen van middel II niet zou leiden tot een verdere verlaging van de aansprakelijkstelling dan tot een bedrag van f 6.567. 3.4. Middel IV, dat betoogt dat het Hof bij de toekenning van een proceskostenvergoeding terzake van de door belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep voor het Hof gemaakte kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zonder nadere motivering is afgeweken van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, is eveneens gegrond. De door het Hof onder 2. van zijn uitspraak vermelde loop van het geding leidt tot de gevolgtrekking dat belanghebbende, in verband met de behandeling van het geding voor het Hof in de onderhavige zaak en de daarmee samenhangende zaak onder nr. 33 584, een proceskostenvergoeding dient te worden toegekend ten bedrage van f 4.970,--. Daarvan dient aan de onderhavige zaak te worden toegerekend f 2.485,--. 3.5. In verband met de gegrondbevinding van de middelen III en IV kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie in de onderhavige zaak en de daarmee samenhangende zaak onder nummer 33 584.

5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, - vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de beschikking, - bepaalt dat belanghebbende aansprakelijk is voor een bedrag van f 6.567,-- - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie in de onderhavige zaak en de daarmee samenhangende zaak onder nummer 33 584 aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 5.810,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, - veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.485,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.

Dit arrest is op 9 juli 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fehmers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.