Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2786

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
33580
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA2786
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de dividendbelasting 1965 3, geldigheid: 1999-06-23
Wet op de dividendbelasting 1965 3, geldigheid: 1999-06-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ondernemingsrecht 1999, 64

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ´s-Gravenhage van 27 juni 1997 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de dividendbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het jaar 1992 een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 49.904,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak, alsmede de naheffingsaanslag, heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen ´s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 5 januari 1999 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Het middel betoogt dat in gevallen, waarin artikel 44 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing is, het ingevolge dit artikel als gestort aangemerkte bedrag bij voorrang moet worden geacht te zijn aangewend als storting ter zake van het nominale bedrag van de aandelen. Dit betoog vindt evenwel geen steun in genoemd artikel 44, zodat het middel in zoverre faalt. 3.2. Het middel faalt evenzeer voorzover het betoogt dat - indien de belastingplichtige vrij zou zijn in de toerekening van het fiscaal erkende gestorte kapitaal - het ervoor moet worden gehouden dat belanghebbende destijds een keuze heeft gemaakt die uitsluit dat thans wordt aangenomen dat het resterende nominale aandelenkapitaal besmet is, aangezien moet worden aangenomen dat een eventuele keuzemogelijkheid eenmalig is en - tenzij anders wordt aangegeven - betrekking heeft op het geheel. Weliswaar is een keuzemogelijkheid eenmalig in die zin dat van een uit de boeken van de vennootschap blijkende aanwending van het fiscaal erkende gestorte kapitaal voor een bepaald doel niet kan worden teruggekomen, maar de met die aanwending gemaakte keuze heeft geen gevolgen voor de kwalificatie van hetgeen aan fiscaal erkend gestort kapitaal resteert.

4. Proceskosten De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van be langhebbende, vastgesteld op ƒ 2.130,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 23 juni 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Hammerstein en Van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een recht geheven van ƒ 340,--.