Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2781

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34330
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 6, geldigheid: 1999-06-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/290
WFR 1999/878, 1
V-N 1999/30.16

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 maart 1998 betreffende de haar voor het jaar 1994 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar be drag van f 348.209,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiƫn heeft bij vertoog schrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of <Nr. 34.330 - ? - > belanghebbende, die onder de naam C een lokale publieke radio-omroep exploiteert en die ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1994: hierna: de Wet) belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, van belasting is vrijgesteld omdat zij een lichaam is bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat en het streven naar winst, hetzij geheel ontbreekt, hetzij van bijkomstige betekenis is, als bedoeld in artikel 6, lid 1, van de Wet en artikel 1 van het Besluit van 20 augustus 1971, Stb. 559 (nadien gewijzigd; tekst 1994).

3.2. Het Hof heeft geoordeeld: dat belanghebbende niet erin slaagt aannemelijk te maken dat bij haar feitelijke werkzaamheden de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat; dat haar verwijzing naar de toewijzing van zendmachtiging door het Commissariaat van de Media onvoldoende grond vormt voor het aanvaarden van haar behartiging van een algemeen belang; dat uit hetgeen belanghebbende ter zake heeft aangevoerd evenmin volgt dat zij zich in zodanige mate richt op de bevrediging van de in haar gebied levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke behoeften dat zij geacht kan worden van algemeen nut te zijn; dat de Inspecteur op grond van een door belanghebbende opgesteld programma-overzicht en van de omvang van belanghebbendes reclame-inkomsten en programmakosten terecht stelt dat de feitelijke activiteiten van belanghebbende kennelijk erop zijn gericht door het draaien van muziek een zo groot mogelijke luisterdichtheid te krijgen en zo hoog mogelijke reclame-inkomsten; dat belanghebbende, hoewel daartoe ter zitting uitdrukkelijk uitgenodigd, bij monde van haar toenmalige voorzitter geen gegevens verstrekt die tot een ander oordeel zouden kunnen voeren; dat belanghebbende in dit verband ten onrechte betoogt dat haar reclamezendtijd, omdat de verkoop daarvan haar in staat stelt haar omroep te bedrijven, te beschouwen is als een behartiging van het algemeen belang. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste opvatting van hetgeen te dezen dient te worden verstaan onder 'lichamen, bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijke belang op de voorgrond staat' en kunnen, als berustend op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen, voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. De oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Middel I kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.3. Middel III komt op tegen 's Hofs oordeel dat niet kan worden gezegd dat bij belanghebbende het streven naar winst hetzij geheel ontbreekt, hetzij van bijkomstige betekenis is. Het middel wordt reeds hierom tevergeefs voorgesteld, omdat het zich keert tegen een ten overvloede gegeven oordeel.

3.4. Middel II kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een ver oordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 23 juni 1999 vastgesteld door de vice- president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Hammerstein, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.