Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2775

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-1999
Datum publicatie
07-03-2003
Zaaknummer
34332
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 18, geldigheid: 1999-06-23
Wet op de omzetbelasting 1968 22, geldigheid: 1999-06-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1999/291
WFR 1999/878, 2
V-N 1999/33.17

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 maart 1998 betreffende na te melden aan belanghebbende gedane uitnodiging tot betaling van - onder meer - omzetbelasting.

1. Uitnodiging, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbende is door de Inspecteur op 26 januari 1996 onder nummer a schriftelijk uitgenodigd tot betaling van - onder meer - een bedrag van f 70.676,10 aan omzetbelasting. Het tegen dit bedrag door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. In de maanden oktober en november 1993 zijn partijen melkpoeder, afkomstig uit Litouwen, naar Nederland gebracht. Twee maal vond het vervoer vanuit Litouwen plaats onder geleide van een carnet TIR, als bedoeld in de artikelen 3, onder b, en 5 van de op 15 januari 1959 te Genève gesloten Douane-overeenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (Trb. 1959, 170), zeven maal - vanaf de grens van het douanegebied van de Gemeenschap - onder geleide van een document T1, als bedoeld in artikel 15 van de Verordening (EEG), nr. 2726/90, Publicatieblad EG 1990, nr. L 262/77 (hierna: de Verordening douanevervoer). 3.1.2. De partijen melkpoeder zijn in Litouwen geladen in vervoermiddelen, bestaande uit een trekker met oplegger, elk van beide voorzien van een eigen Litouwse registratie (kenteken). De onder geleide van de carnets TIR vervoerde goederen zijn met toepassing van de daartoe voorgeschreven formaliteiten in Duitsland het douanegebied van de Gemeenschap binnengebracht en onder geleide van de carnets TIR verder vervoerd. De andere goederen werden, geladen in de genoemde vervoermiddelen, per veerboot naar het douanegebied van de Gemeenschap vervoerd om na aankomst in Duitsland onder douanetoezicht verder te worden getransporteerd. Ten aanzien van deze laatste partijen melkpoeder werd door een in de haven van aankomst gevestigde douane-expediteur aangifte voor extern communautair douanevervoer gedaan, als bedoeld in artikel 10 van de Verordening douanevervoer. Overeenkomstig de voorschriften werden op de carnets TIR en op de documenten T1 de kentekens van zowel het trekkende voertuig als de oplegger vermeld. 3.1.3. Blijkens de carnets TIR en de documenten T1 waren de goederen bestemd voor aflevering in Portugal. Niettemin werden de goederen overgebracht naar het op Duits grondgebied gelegen terrein van D GmbH te R, nabij de Duits-Nederlandse grensovergang aldaar. Een zekere E tegen wie, als hoofdverdachte, ter zake van de onderhavige importen een strafvervolging is ingesteld, of een lid van een door hem gevormde organisatie, wachtte aldaar de vervoermiddelen op met een trekker met een Nederlands kenteken. Na aankomst van het Litouwse vervoermiddel werd onder leiding van genoemde E of het aanwezige andere lid van diens organisatie het carnet TIR of het document T1 - kennelijk uit handen van de chauffeur van de vrachtwagencombinatie - overgenomen en de oplegger losgekoppeld van de oorspronkelijke trekker. Vervolgens werd de oplegger aan de Nederlandse trekker gekoppeld en werden de goederen verder vervoerd naar en op Nederlands grondgebied. 3.1.4. Noch de goederen noch de carnets TIR of de documenten T1 zijn aangebracht bij de op de documenten vermelde kantoren van bestemming in Portugal en evenmin op een kantoor van bestemming in Nederland. De goederen zijn, maar, na door E verkocht te zijn aan belanghebbende en door belanghebbende aan L te V, in opdracht van laatstgenoemde nog in 1993 afgeleverd bij opslagfaciliteiten van een tweetal bedrijven te S (Nederland). 3.1.5. Na verloop van tijd werd de, inmiddels lege, oplegger weer teruggebracht naar het hiervóór in 3.1.3 genoemde terrein in Duitsland en aan de Litouwse trekker gekoppeld. 3.2. De Inspecteur heeft, zich op het standpunt stellende dat artikel 18, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1993; hierna: de Wet) van toepassing is, omdat de partijen melkpoeder in Nederland zijn onttrokken aan een douaneregeling, de onderwerpelijke uitnodiging tot betaling vastgesteld. 3.3.1. Het Hof heeft vooropgesteld dat voor de wijze van omzetbelastingheffing bij invoer volgens het bepaalde in artikel 22, lid 1, van de Wet te rade moet worden gegaan bij de Wet inzake de douane (tekst 1993; hierna de WD) en dat hetzelfde geldt voor het antwoord op de vraag wie voor de omzetbelasting bij invoer de belastingplichtige is. Voorzover middel 1 zich tegen deze oordelen keert, faalt het, daar deze juist zijn en artikel 21, lid 2, van de Zesde richtlijn het aan de lidstaten overlaat te bepalen wie de belastingplichtige is voor de ter zake van de invoer geheven omzetbelasting. 3.3.2. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de belastingrechter op basis van het voor de omzetbelasting geldende recht dient vast te stellen of sprake is van invoer van goederen en dat daarbij niet wordt toegekomen aan bepalingen met betrekking tot de invoerrechten, in het bijzonder de Verordening (EEG), nr. 2144/87, van de Raad van 13 juli 1987, inzake de douaneschuld (hierna: de Verordening douaneschuld). In zoverre het eerste middel dit bestrijdt met het betoog dat voor de uitlegging van het begrip invoer mede te rade moet worden gegaan bij het bepaalde in de Verordening douaneschuld, faalt het eveneens, aangezien voor die uitlegging uitsluitend het bepaalde in artikel 18 van de Wet juncto artikel 7 van de Zesde richtlijn van belang is. 3.3.3. Het Hof heeft vervolgens, na te hebben overwogen dat het belastbare feit 'invoer van goederen' zich blijkens genoemd artikel 18 onder meer voordoet bij het in Nederland beëindigen van dan wel in Nederland onttrekken van goederen aan een douaneregeling en - mede onder verwijzing naar artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn - te hebben geoordeeld dat onder een douaneregeling mede dient te worden verstaan de douaneregeling extern douanevervoer, en kennelijk ervan uitgaande dat de onderhavige goederen aan het hiervóór in 3.1.1 en 3.1.2 genoemde externe douanevervoer zijn onttrokken, verworpen belanghebbendes standpunt dat de onttrekking in Duitsland heeft plaatsgehad en uit de vastgestelde feiten en de in de uitspraak van het Hof opgenomen delen van de processen-verbaal afgeleid dat de onttrekking in Nederland heeft plaatsgevonden. Het eerste middel herhaalt de voor het Hof ingenomen stelling dat de onttrekking niet in Nederland, maar in Duitsland heeft plaatsgevonden. 3.3.4. Krachtens artikel 2, aanhef en lid 2, van de Zesde richtlijn is aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen de invoer van goederen. Blijkens het bepaalde in artikel 7, lid 1, van de Zesde richtlijn wordt als 'invoer van een goed' beschouwd het binnenkomen in de Gemeenschap van een goed, als omschreven in die bepaling. Artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn houdt onder meer in dat de invoer van goederen die vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap onder een regeling voor extern douanevervoer zijn geplaatst, niet terstond bij binnenkomst in de Gemeenschap plaatsvindt, maar eerst in de lidstaat op het grondgebied waarvan het goed aan die regeling wordt onttrokken. In dit geval zijn de goederen na binnenkomst in de Gemeenschap onder de hiervóór genoemde regeling geplaatst en naderhand als waren zij in het vrije verkeer van de Gemeenschap verhandeld, zodat kan worden aangenomen dat zij op zeker moment aan de regeling zijn onttrokken. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn dient bepaald te worden op welke plaats zich de onttrekking van de goederen heeft voorgedaan. In het onderhavige geval zijn blijkens 's Hofs uitspraak naar het oordeel van de Inspecteur naast omzetbelasting tevens landbouwheffingen verschuldigd geworden. Zoals hiervóór in 3.1 weergegeven zijn ten aanzien van de partijen melkpoeder achtereenvolgens verschillende handelingen verricht. Sommige van deze handelingen, zoals de aangifte voor extern communautair douanevervoer en het daarop aansluitende transport, zijn als zodanig niet in strijd met de communautaire bepalingen verricht, andere waren daarmee wel in strijd. De Hoge Raad gaat ervan uit dat de eerste handeling ten aanzien van de goederen, die in strijd met de communautaire bepalingen werd verricht, was het hiervóór in 3.1.3 bedoelde omwisselen van de trekker zonder de douaneautoriteiten daarvan op de voet van artikel 20 van de Verordening douanevervoer in kennis te stellen. Door die handeling kwam het transport niet langer overeen met de aangifte voor het extern douanevervoer, waarop, ter identificatie en handhaving van het douanetoezicht, zowel het kenteken van het trekkende voertuig als dat van de oplegger was vermeld. Deze vermelding is voorgeschreven in de Verordening (EEG), nr. 2855/85, van de Commissie van 18 september 1985 houdende nadere bepalingen voor de toepassing van Verordeningen (EEG), nr. 687/85, van de Raad inzake de vereenvoudiging van de formaliteiten in het goederenverkeer binnen de Gemeenschap en van Verordening (EEG), nr. 679/85, van de Raad betreffende de invoering van het model aangifteformulier dat in het goederenverkeer binnen de Gemeenschap dient te worden gebruikt, Publicatieblad EG 1985, nr. L 279, en wel in bijlage III, Titel II, letter 1, sub 18, op basis van artikel 2 van de voornoemde Verordening nr. 679/85, Publicatieblad EG 1985, nr. L 79. Voorts werden communautaire verplichtingen geschonden door de goederen met verbreking van de verzegeling te lossen zonder deze, zoals is voorgeschreven in artikel 22, lid 1, van de Verordening douanevervoer, met de documenten aan te brengen bij het kantoor van bestemming . Om te kunnen beoordelen waar de goederen aan de regeling voor extern douanevervoer zijn onttrokken, dient de vraag beantwoord te worden wat onder 'onttrekken' in de zin van artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn moet worden verstaan, anders gezegd welke van de hiervóór bedoelde handelingen is aan te merken als 'onttrekken'. Het Hof heeft geoordeeld dat als 'onttrekken' is aan te merken het verbreken van de verzegeling en het lossen van de goederen, voordat was voldaan aan de verplichtingen die dienden te worden nagekomen voor goederen die onder de regeling voor extern douanevervoer zijn geplaatst. Het eerste middel doet - mede gelet op hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot de uitlegging van artikel 36 van Verordening (EEG) nr. 542/69 van de Raad van 18 maart 1969 betreffende communautair douanevervoer (Publicatieblad 1969, nr. L 77) onder 3. voor recht heeft verklaard in zijn arrest van 27 november 1984, zaak nr. 99/83 (C. Fioravanti), Jur. 1984, blz. 3939 - de vraag rijzen of van 'onttrekken' (reeds) sprake is, zodra ten aanzien van de goederen wordt gehandeld in strijd met verplichtingen die zijn verbonden aan de regeling voor extern douanevervoer, met name indien - zoals in de onderhavige zaak kennelijk het geval is - de handeling is verricht met het oogmerk de goederen in strijd met de communautaire bepalingen in het handelsverkeer van de Gemeenschap te brengen en het verzuim niet zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de regeling voor extern douanevervoer (voor dit laatste zij verwezen naar onder meer artikel 22, lid 4, van de Verordening douanevervoer en artikel 2, lid 1, onder d, laatste zinsnede, van de Verordening douaneschuld). Aangezien het hier vragen van uitlegging van communautaire bepalingen betreft, zal de Hoge Raad op de voet van artikel 177 van het EG-Verdrag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap verzoeken om een prejudiciële beslissing inzake na te melden vragen.

4. Beslissing De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap uitspraak te doen over de volgende vragen: 1. Wat moet worden verstaan onder 'onttrekken' aan de regeling voor extern douanevervoer in de zin van artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn, indien dit onttrekken niet op regelmatige wijze - dat wil zeggen anders dan door de goederen aan te geven voor het vrije verkeer - plaatsvindt: a. is dit de eerste handeling die ten aanzien van de goederen wordt verricht in strijd met enig voorschrift dat is verbonden met deze regeling en is van belang of bij die handeling sprake is van het oogmerk om de goederen - mede door het verrichten van die handeling - in strijd met dat voorschrift in het handelsverkeer van de Gemeenschap te brengen; dan wel b. is hiervan (eerst) sprake wanneer de goederen - in voorkomend geval na verbreken van de verzegeling - worden gelost uit het vervoermiddel zonder dat is voldaan aan de verplichting de goederen met het document aan te brengen bij het kantoor van bestemming in de zin van artikel 22, lid 1, van de Verordening douanevervoer, en is van belang of bij die handeling sprake is van het oogmerk om de goederen - mede door het verrichten van die handeling - in strijd met de communautaire bepalingen in het handelsverkeer van de Gemeenschap te brengen; dan wel c. dient onder 'onttrekken' te worden verstaan het geheel van handelingen die ertoe leiden dat de goederen anders dan op regelmatige wijze in het handelsverkeer van de Gemeenschap worden gebracht? 2. Indien de eerste vraag moet worden beantwoord in de onder c bedoelde zin, waar vindt dan het onttrekken plaats: daar waar de eerste onregelmatige handeling wordt verricht dan wel op de plaats waar een volgende handeling wordt verricht, met name op de plaats waar de goederen - in voorkomend geval na verbreken van de verzegeling - worden gelost uit het vervoermiddel? De Hoge Raad houdt iedere verdere uitspraak aan en schorst het geding, totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van het vorenstaande verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

Dit arrest is op 23 juni 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren De Moor, Van Brunschot, Van Vliet en Hammerstein, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.