Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1999:AA2772

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-1999
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
33928
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:AA2772
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26, geldigheid: 1999-06-16
Wet op de loonbelasting 1964 10, geldigheid: 1999-06-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1999, 21104
BNB 1999/286
FED 1999/449
FED 1999/403
WFR 1999/842
V-N 1999/28.5

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 december 1997 betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzeke- ringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 43.924,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. De Advocaat-Generaal Ilsink heeft op 13 januari 1999 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Belanghebbende heeft een schriftelijke reactie op die conclusie gegeven.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitge- gaan. In het door belanghebbende, rijksambtenaar, in 1994 genoten loon zijn begrepen een vakantietoeslag en bedragen aan vakantieloon wegens doorbetaling van salaris over vakantie-uren en over feestdagen-uren. Belangheb- bende heeft voor het Hof aangevoerd dat de vakantietoeslag en het vakantieloon (hierna tezamen aangeduid als het vakantiegeld) slechts voor 75 percent in de heffing zowel van de inkomstenbelasting als van de premie volksverzekeringen, althans alleen van de premie volksverzekeringen moeten worden betrokken. Het Hof heeft de standpunten van belanghebbende verworpen. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de rechten van belanghebbende op vakantietoeslag en vakantieloon niet zijn aan te merken als aanspraken in de zin van artikel 10, lid 2, letter c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (tekst 1994; hierna: de Uitvoeringsregeling), nu deze rechten niet ertoe strekken ten behoeve van de werknemer naast de contante beloning een voorziening te treffen krachtens welke hij aanspraken verwerft om op een toekomstig tijdstip al dan niet onder bepaalde voorwaarden in het genot te worden gesteld van een of meer uitkeringen. Middel I, dat dit oordeel met een rechtsklacht bestrijdt, faalt, omdat 's Hofs oordeel juist is (vgl. HR 16 september 1992, nr. 27950, BNB 1993/21). 3.3. Middel II keert zich met een rechtsklacht tegen 's Hofs oordelen dat op het zogenoemde rechten- beheersysteem gebaseerde rechten zijn aan te merken als aanspraken in de zin van artikel 10, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1994: hierna de Wet) en als "daarmee overeenkomende aanspraken" bedoeld in artikel 10, lid 2, letter c, van de Uitvoeringsregeling. Bij die oordelen is het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat toepassing van het rechtenbeheersysteem op zichzelf geen wijziging heeft gebracht in het voorheen uit de desbetreffende collectieve arbeidsovereenkomsten voort- vloeiende stelsel van vakantiebonnen of -zegels, doch louter fungeert als registratiesysteem van de verstrekking en verzilvering van de voorheen in die bonnen of zegels belichaamde aanspraken. Bij dat uitgangspunt, dat geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zijn 's Hofs oordelen juist (vgl. het voormelde arrest BNB 1993/21). Belanghebbendes betoog dat slechts rechten die zijn belichaamd in zelfstandige waardepapieren kunnen worden aangemerkt als aanspraken in de zin van de Wet, vindt geen steun in het recht. Ook middel II faalt derhalve. 3.4. Als gevolg van de waarderingsregel van artikel 10, lid 2, letter c, van de Uitvoeringsregeling worden voor de heffing van de loonbelasting - en ingevolge artikel 22, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ook voor de heffing van de inkomstenbelasting - de daar genoemde vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee overeenkomende aanspraken anders behandeld dan vakantiegeld dat genoten wordt als loon in geld. 3.5. Het Hof heeft geoordeeld dat afgezien van het verschil in juridische vormgeving dat leidt tot de kwalificatie van het door belanghebbende genoten vakantiegeld als loon in geld enerzijds en van de aanspraken op vakantiebonnen en dergelijke als aanspraken in de zin van artikel 10, lid 2, van de Wet anderzijds, nog andere belangrijke verschillen bestaan tussen beide beloningssystemen. Het heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat sprake is van feitelijk en rechtens ongelijke gevallen en vervolgens geoordeeld dat de ongelijkheid voldoende is om het aanwezige verschil in behandeling te rechtvaardigen. Volgens middel III zijn de door het Hof genoemde verschillen onvoldoende om te kunnen aannemen dat het om rechtens en feitelijk ongelijke gevallen gaat. Volgens middel IV is het verschil in belastingheffing van 25 percent onevenredig ten opzichte van het verschil in situatie tussen beide groepen belastingplichtigen. Deze middelen zullen gezamenlijk worden behandeld. 3.6. In het midden kan blijven welk gewicht kan worden toegekend aan elk van de door het Hof genoemde verschillen. Op zichzelf wordt het bestaan ervan in cassatie niet bestreden. Ook aangenomen dat alle door belanghebbende aangevoerde redenen om dat gewicht voor de hier te beantwoorden vraag laag aan te slaan gegrond zijn, blijft sprake van verschillen die gezien in verband met de uit de juridische vormgeving voortvloeiende omstandigheid dat het vakantiegeld pas wordt belast ten tijde van de uitbetaling en de aanspraken op vakantiebonnen en dergelijke al ten tijde van de toekenning van de aanspraak, enig verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen. De door de middelen voorgelegde vraag is dan of de ongelijke behandeling van deze gevallen voor de toepassing van de antidiscriminatiebepa lingen in de Grondwet en de internationale verdragen ongeoorloofd is. 3.7. Het antwoord op die vraag is ontkennend: voor de ongelijke behandeling waarover belanghebbende klaagt, is een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig. Zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal is uiteengezet, is de in het onderhavige jaar nog bestaande bevoordeling van enkele, ten opzichte van de groep vakantiegeld genietende werknemers relatief kleine groepen werknemers in bepaalde bedrijfstakken door de voordelige waarderingsregeling voor vakantiebonnen van artikel 10, lid 2, letter c, van de Uitvoeringsregeling in feite het gevolg van het voorshands niet overnemen door de regelgever van het voorstel van de Commissie Oort in 1986 om vakantiebonnen voortaan, anders dan sinds 1940 het geval was geweest, voor de volle 100 percent van hun waarde in de heffing te betrekken. De regelgever had voor dat niet althans niet direct overnemen zwaarwegende motieven van sociaal-economisch-politieke aard, zoals samengevat in voormelde conclusie onder 5.9.8. Die beslissing kan niet onredelijk genoemd worden. De evenvermelde zwaarwegende motieven van sociaal- economisch-politieke aard hebben de regelgever ook in redelijkheid kunnen doen besluiten bij de uitvoering van zijn destijds aangekondigde voornemen de tijdelijk nog gecontinueerde bevoordeling geleidelijk op te heffen, behoedzaam te werk te gaan, als gevolg waarvan die opheffing in het onderhavige jaar, 1994, nog niet tot stand was gekomen. Gelet op deze rechtvaardigingsgronden en de beoordelingsvrijheid die de regelgever te dezen toekomt, kan niet worden gezegd dat de werknemers die terzake van het door hen als loon in geld genoten vakantiegeld naar de normale regels in de heffing worden betrokken, worden behandeld op een door de Grondwet of internationale verdragen verboden wijze. De middelen III en IV, die van een andere opvatting uitgaan, falen derhalve. 3.8. Nu voor de toepassing van de waarderingsregel van artikel 10, lid 2, letter c, van de Uitvoeringsregeling het geslacht niet onderscheidend is, noch direct, noch indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is van discriminatie op grond van geslacht als bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Richtlijn van de Raad van de EG van 19 december 1978 (nr. 79/7/EEG), naar redelijkerwijs niet kan worden betwijfeld, geen sprake. Het Hof heeft dan ook terecht belanghebbendes beroep op die bepaling verworpen, zodat ook middel V strandt.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 16 juni 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Monné en Kop, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fehmers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.